Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.3.2:6.6.3.2 Gerechten van niet-lidstaten
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.3.2
6.6.3.2 Gerechten van niet-lidstaten
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS439123:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover par. 8.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 15 van de verordening ziet alleen op gevallen waarin het gerecht van een lidstaat zich forum non conveniens verklaart. Vanzelfsprekend mist art. 15 toepassing voor gerechten van staten waarvoor de Vo-Brussel Ilbis niet geldt. Wat te doen als de bevoegde rechter van een niet-lidstaat in een bij hem aanhangige procedure van oordeel is dat de kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid beter behandeld kan worden door het gerecht van een lidstaat van de Europese Unie? Een voorbeeld. Een New Yorkse rechter verklaart zich in een bij hem aanhangige procedure forum non conveniens ten gunste van de Rb. 's-Gravenhage, omdat het kind in de loop van de procedure zijn gewone verblijfplaats naar Nederland heeft verplaatst. De verordening, noch het HKbV 1996 zijn op deze verwijzing van toepassing, omdat de VS aan deze regelingen niet gebonden zijn. Hoe dient de Haagse rechtbank zich op te stellen? De Nederlandse rechter zal zijn bevoegdheid afzonderlijk moeten nagaan, omdat de forum non conveniens-verwijzing door de New Yorkse rechter niet competentiescheppend is. Met andere woorden, de New Yorkse forum non conveniens-beslissing alleen maakt de Haagse rechtbank nog niet bevoegd. De toepassing van de hoofdregel in art. 8 lid 1 Vo-BIIbis levert in dit geval voor de Nederlandse rechter rechtsmacht op, nu het kind op het tijdstip waarop de zaak in Nederland aanhangig wordt gemaakt hier zijn gewone verblijfplaats heeft.
Doet zich een geval voor waarin de Nederlandse rechter geen bevoegdheid kan ontlenen aan de voor hem geldende regels van IPR, dan zal hij zich in beginsel onbevoegd (moeten) verklaren. De forum non conveniens-beslissing van de New Yorkse rechter heeft dan niet het gewenste resultaat bereikt. Overigens zal de New Yorkse rechter bij zijn beslissing rekening houden met de vraag of de zaak in een buitenlands forum behandeld kan worden. Als blijkt dat dit niet het geval is, zal hij ervan afzien om zich ten gunste van dat buitenlandse gerecht forum non conveniens te verklaren. Hij kan er ook voor kiezen om zich forum non conveniens te verklaren onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat partijen instemmen met de bevoegdheid van het buitenlands gerecht.1 Een dergelijke prorogerende forumkeuze ten gunste van het gerecht in een lidstaat is krachtens art. 12 Vo-B1Ibis competentiescheppend, althans indien het belang van het kind daarbij is gediend.