Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.5.a
3.5.a Beroep na beroep
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609512:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CRM 1 november 1991, nr. 230/1987 (Henry/Jamaica); CRM 19 oktober 1993, 352/1989 (Douglas, Gentles & Kerr/Jamaica); CRM 25 juli 2005, nr. 1089/2002 (Rouse/De Filipijnen); General Comment 2007/32, onderdeel 45.
CRM 22 juli 2005, nr. 1095/2002 (Gomaríz Valera/Spanje); zie voor een identieke motivering CRM 31 oktober 2006, nr. 1332/2004 (García Sánchez & González Clares/Spanje).
General Comment 2007/32, nr. 47; vgl. ook CRM 31 oktober 2006, nr. 1325/2004 (Conde Conde/Spanje): “[The Committee] recalls that the absence of any right of review in a higher court of a sentence handed down by an appeal court, where the person was found not guilty by a lower court, is a violation of article 14, paragraph 5, of the Covenant” [dikgedrukt, GP].
CRM 23 maart 2012, nr. 1641/2007 (Calderón Bruges/Colombia), waarin de verdachte in derde instantie voor het eerst wordt veroordeeld en volgens het CRM daartegen beroep moet openstaan. Uit de uitspraak komt naar voren dat het beroep op de derde instantie het laatste gewone rechtsmiddel betreft.
De tekst van het General Comment is als zodanig helder. De hier niet weergegeven voetnoten in dat document doen echter afbreuk aan die duidelijkheid. Na de zinsnede “or a court in final instance” volgt een verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak Terrón/Spanje, waarin de klager in eerste en enige instantie door de Spaanse Hoge Raad werd veroordeeld. Mogelijk ziet de passage uit het General Comment dus alleen op zaken berecht door een forum privilegiatum en gevallen waarin eerst door de tweede instantie wordt veroordeeld. Ik twijfel dan ook of de ruim geformuleerde tekst de wellicht beperktere bedoeling van het Comité getrouw weergeeft en niet veeleer als volgt zou moeten luiden: “… but also where a conviction imposed by a forum privilegaitum or by a court in second instance, following acquittal in first instance, according to domestic law, cannot be reviewed by a higher court”. De zaak CRM 23 maart 2012, nr. 1641/2007 (Calderón Bruges/Colombia) spreekt echter weer tegen deze herformulering.
CRM 24 juli 2006, nr. 1421/2005 (Larrañaga/De Filipijnen). Zie ook CRM 31 oktober 2006, nr. 1325/2004 (Conde Conde/Spanje).
Möller & De Zayas 2009, p. 307-308, wijzen uitdrukkelijk op de kritische houding van het Comité in doodstrafzaken, zie ook General Comment 2007/32, onderdeel 51.
CRM 28 maart 2006, nr. 1156/2003 (Pérez Escolar/Spanje).
Zo ook CRM 29 oktober 2012, nr. 1891/2009 (J.A.B.G./Spanje), waarin een onjuiste berekening in de strafmaat wordt hersteld.
Voorzichtiger zijn Feteris 2002, p. 416-417 en Nowak 2005, p. 351; verschillende staten hebben deze uitleg voorzien en op dit punt een voorbehoud gemaakt, zie de voorbehouden van o.a. Oostenrijk, België, Denemarken, Duitsland, Luxemburg en Noorwegen.
Aldus ook Joseph & Castan 2013, p. 514.
CRM 21 juli 2004, nr. 1033/2001 (Singarasa/Sri Lanka).
EHRM 25 november 2003 (ontv.), nr. 63987/00 (Ekelund/Zweden); EHRM 11 december 2008, nr. 4268/04 (Panovits/Cyprus); EHRM 22 september 2015 (ontv.), nr. 55959/14 (Borcea/Roemenië); vgl. ook EHRM 18 september 2001 (ontv.), nr. 47095/99 (Kalashnikov/ Rusland), waarin het Hof overweegt dat “the applicant’s complaint relates to the examination of an extraordinary appeal against a judgment which had become final and res judicata. It finds that the right to have criminal proceedings re-opened is not guaranteed by the Convention.”
ECRM 17 januari 1994 (ontv.), nr. 16206/90 (Botten/Noorwegen); ECRM 17 mei 1995 (ontv.), nr. 25906/94 (Partouche/Frankrijk); ECRM 26 juni 1996 (ontv.), nr. 28699/95 (Weidenhaupt/Luxemburg); EHRM 10 april 2012 (ontv.), nr. 51552/10 (Šimšić/Bosnië Herzegovina).
EHRM 1 februari 2005 (ontv.), nr. 23523/02 (Wallin Karlsen/Denemarken).
Paragraaf 3.3; vgl. in deze zin over het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten Medina 2014, p. 317-318.
Paragraaf 3.3.
Het recht op beroep uit zowel IVBPR als EVRM is strikt genomen ook van toepassing op een veroordeling in hoger beroep, en ook op een veroordeling in nog hogere instantie etc. Een higher tribunal is immers ook een tribunal, en tegen de veroordelingen van zo’n instantie moet steeds beroep openstaan, zo kan worden betoogd. Deze kwestie kan ook iets anders worden benaderd. De vraag is of een veroordeelde recht heeft op meervoudige review van zijn veroordeling? Moet na een eerste controle in hoger beroep nogmaals een mogelijkheid voor review openstaan?
Over deze vraag, die de vormgeving van het stelsel van rechtsmiddelen in het algemeen raakt, is vooral bij het CRM geprocedeerd. Het Comité heeft beslist dat artikel 14 lid 5 IVBPR na een veroordeling geen recht geeft op “several instances of appeal”.1 Dit oordeel is sinds 1991 verschillende malen herhaald, maar moet worden genuanceerd. Neem de zaak Gomaríz Valera/ Spanje, waarin de rechtbank vrijspreekt van verduistering maar in hoger beroep daarvoor vijf maanden gevangenisstraf, ontzetting uit enkele rechten en een plicht tot schadevergoeding wordt opgelegd. Tegen deze veroordeling stond geen nader beroep open. De Spaanse staat merkte op dat het recht op beroep “cannot be invoked ad absurdum, providing the right to a third, fourth, or fifth hearing”. Het Comité volgt de Spaanse staat echter niet en verklaart de klacht met een wat moeizame motivering gegrond: “Article 14, paragraph 5, not only guarantees that the judgement will be placed before a higher court, as happened in the author’s case, but also that the conviction will undergo a second review, which was not the case for the author. Although a person acquitted at first instance may be convicted on appeal by the higher court, this circumstance alone cannot impair the defendant’s right to review of his conviction and sentence by a higher court, in the absence of a reservation by the State party.”2 Deze overweging is verwarrend omdat het Comité zoals opgemerkt in andere uitspraken oordeelde dat artikel 14 lid 5 IVBPR slechts één beroepsbeoordeling voorschrijft. Gelet daarop moet het recht op een second review misschien niet te algemeen worden verstaan.
Het recht op beroep lijkt intussen wel van toepassing op gevallen waarin de verdachte in de eerste instantie is vrijgesproken, maar vervolgens door de beroepsinstantie wordt veroordeeld. Het gaat er dus niet zozeer om dat een tweede rechtsmiddel tegen één en dezelfde veroordeling openstaat, als wel dat beroep moet openstaan tegen een veroordeling die voor het eerst in tweede instantie tot stand is gekomen. Aldus opgevat komt de regel in General Comment 2007/32 beter tot uitdrukking dan in de hiervoor geciteerde overweging tegen Spanje: “Article 14, paragraph 5 is violated not only if the decision by the court of first instance is final, but also where a conviction imposed by an appeal court or a court of final instance, following acquittal by a lower court, according to domestic law, cannot be reviewed by a higher court.”3 Het General Comment is intussen een stuk ruimer geformuleerd dan uit de hiervoor aangehaalde Comité-oordelen kon worden opgemaakt. Immers, niet alleen als een verdachte na een vrijspraak in eerste aanleg in tweede instantie wordt veroordeeld is het beroepsrecht van toepassing, beroep dient ook mogelijk te zijn na veroordeling door een (an, niet: de) beroepsrechter, na vrijspraak door een lower (niet: eerste) gerecht. Veronderstel dat een staat voorziet in drie beroepsinstanties en de verdachte voor het eerst door de derde instantie wordt veroordeeld, dan dient volgens deze lezing ook tegen dat oordeel weer beroep mogelijk te zijn, zoals wordt bevestigd door de zaak Calderón Bruges/ Colombia.4 Zelfs tegen de eerste veroordeling van een “final instance” moet beroep beschikbaar zijn, aldus het General Comment.5 De voorlopige conclusie luidt in elk geval dat volgens het CRM tegen iedere eerste veroordeling, in welke instantie dan ook gegeven, beroep moet openstaan.
Ik volg de jurisprudentie van het CRM nog een stap verder. Uit de tekst van het General Comment volgt dat het recht op beroep tegen een veroordeling door een hogere instantie uitsluitend geldt bij een “acquittal” ofwel vrijspraak in eerdere aanleg. Een aantal oordelen duidt er echter op dat review ook mogelijk moet zijn is als de hogere rechter de bewezenverklaring of kwalificatie van het strafbare feit significant wijzigt ten opzichte van een veroordeling in eerdere aanleg. In de zaak Larrañaga/De Filipijnen achtte het Comité het recht op beroep geschonden nadat de beroepsrechter een veroordeling voor vrijheidsberoving aanvulde met een veroordeling voor onder meer doodslag en de straf verhoogde van levenslange gevangenisstraf tot de doodstraf.6 Tegen de verandering ten aanzien van doodslag van partiële vrijspraak in een veroordeling en de verhoging van de straf had beroep moeten openstaan. Nu betreft deze zaak een zeer bijzonder geval – doodstraf – en kan men denken dat het CRM niet zozeer viel over de verandering van de veroordeling als wel om de wezenlijke verzwaring van de straf.7 In de zaak Pérez Escolar/Spanje, waarin het niet om de doodstraf draait, gebruikt het Comité evenwel een algemeen geformuleerde maatstaf. De klager is door een rechtbank voor medeplichtigheid aan of bij verduistering veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf. De beroepsrechter veroordeelt de klager voor het medeplegen van dezelfde verduistering tot vier jaren gevangenisstraf. De klager, die hiertegen niet in beroep kan, wendt zich tot het Comité. Het Comité “notes that in the legal systems of many countries appeal courts may lower, confirm or increase the penalties imposed by the lower courts. Although the Supreme Court […] concluded that the author was a principal, and not merely an accessory, in relation to the misappropriation offence, in the Committee’s view [that] finding of the Supreme Court did not change the essential characterization of the offence but merely reflected the Supreme Court’s assessment that the seriousness of the circumstances of the offence merited a higher penalty.”8 Enkele strafverzwaring, ook indien gecombineerd met een andere opvatting over het daderschap, zorgt blijkbaar niet ervoor dat het recht op beroep van toepassing is. Wat het CRM relevant acht, is of de beroepsrechter ten opzichte van het oordeel in de eerdere instantie de essentiële karakterisering van het delict verandert.9
Of het CRM in de toekomst dit tamelijk smalle criterium zal toepassen óf zoals in de Filipijnse zaak iets ruimer naar een combinatie van verzwaarde bewezenverklaring, kwalificatie en straf zal kijken, moet de toekomst leren. Intussen lijkt mij een voorzichtige conclusie gepast. Het gros van de aangehaalde oordelen over partiële vrijspraak en grondslagverandering is gegeven vóór publicatie van General Comment 2007/32, maar deze oordelen worden daarin niet aangehaald of bevestigd. Tegen een veroordeling gegeven door een hogere instantie na een volledige vrijspraak in de daaraan voorafgaande instanties moet volgens het CRM dus beroep openstaan. Er zijn voorts aanknopingspunten voor de opvatting dat een rechtsmiddel ook beschikbaar moet zijn als de hogere instantie de veroordeling wezenlijk verandert.10 De verandering van de straf alleen is daarvoor niet doorslaggevend.11 Hoe dan ook, het recht op beroep uit artikel 14 lid 5 IVBPR is in elk geval niet van toepassing als de beroepsrechter een rechtsmiddel ingesteld tegen een veroordeling in eerste instantie niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, dan wel het aangevallen oordeel bevestigt, omdat aan dergelijke oordelen geen vrijspraak voorafgaat.12
Anders dan het CRM heeft het Straatsburgse Hof de toepasselijkheid van het recht op beroep preciezer afgebakend. Artikel 2P7 EVRM geeft volgens het EHRM “a right to a review of a conviction or sentence by a higher tribunal; it does not, however, guarantee a determination by a third instance”.13 Het recht op beroep garandeert dus éénmaal controle van een veroordeling. Bovendien biedt het tweede lid van artikel 2 P7 EVRM aan staten de mogelijkheid tot beperking van het recht op beroep in gevallen waarin een veroordeling voor het eerst in beroep is gegeven. Tot nog toe hebben de Straatsburgse organen slechts in enkele uitspraken zonder noemenswaardige motivering toepassing gegeven aan deze exceptie.14
De beperkingsmogelijkheid voor gevallen waarin in eerste aanleg is vrijgesproken, impliceert intussen dat artikel 2P7 EVRM in beginsel wel van toepassing is op voor het eerst in beroep gegeven veroordelingen, anders zou de exceptie niet nodig zijn. Eén zaak duidt bovendien op een nog ruimer toepassingsbereik. In Wallin Karlsen/Denemarken gaat het om een veroordeling in eerste aanleg voor tientallen belastingmisdrijven. In hoger beroep wordt de tenlastelegging enigszins gewijzigd, waarna ook de beroepsrechter de verdachte veroordeelt. Op de klacht hierover reageert het EHRM met de overweging dat “the events described in the amended indictment did not differ from the original indictment to such an extent as to raise an issue under Article 2 § 1 of Protocol 7 to the Convention”.15 In deze unieke overweging lijkt ook het EHRM niet uit te sluiten dat een verzwaring van de bewezenverklaring, kwalificatie en/of strafoplegging in beroep opnieuw het mensenrecht op beroep activeert. Voor aansluiting bij de rechtspraak van het CRM staat de deur dus op een kier.
Hoe begrijpelijk de hiervoor behandelde exceptie op het toepassingsbereik van artikel 2P7 EVRM misschien ook is vanuit het perspectief van de verdragsluitende staten, de exceptie sluit niet goed aan bij een benadering van het recht op beroep als waarborg voor de belangen van de burger.16 De exceptie kan beter worden verklaard in de benadering van het recht op beroep als systeemwaarborg. Immers, als het ten behoeve van zorgvuldigheid of het gezag van de rechtspraak van belang wordt geacht dat elke strafzaak ten minste tweemaal beoordeeld kan worden, dan is niet relevant in welke einduitspraak de berechting in eerste aanleg uitmondt. Ook tegen een vrijspraak zou in zo’n benadering trouwens beroep moeten openstaan. Deze systeembenadering is echter als grondslag voor het recht op beroep als ménsenrecht ontoereikend, omdat dit mensenrecht niet is gegeven ten behoeve van de algemene kwaliteit of het gezag van rechtspraak.17 Als daarentegen het recht op beroep inderdaad wordt benaderd als waarborg voor de belangen van burgers, dan dient na elke eerste veroordeling – belangenaantasting – beroep open te staan, in welke instantie deze veroordeling ook is gegeven. De rechtspraak van het CRM over artikel 14 lid 5 IVBPR sluit bij deze ratio beter aan dan artikel 2 P7 EVRM.