Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.5.2.2
V.5.2.2 Toezicht
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242699:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 2, p. 2-3.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 6 (NV).
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 6 en 26 (NV). De redactie van de tweede volzin van art. 2:129a/239a lid 1 BW is nadien niet meer gewijzigd.
Dortmond, Ondernemingsrecht 2013/124.
Insgelijks Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/446; Kersten 2018, p. 26; Nowak, Ondernemingsrecht 2016/113; en Verdam, Ondernemingsrecht 2013/126.
Bovendien is het zaak dat uitvoerende taken aan de uitvoerende bestuurders worden toegekend. Idem Kersten 2018, p. 26; Van Olffen 2009, p. 44; en Salemink, MvO 2017, afl. 1-2, p. 153.
Kersten 2018, p. 26.
De vraag waarom ik de toezichthoudende taak van de niet-uitvoerende bestuurders toespits op de taakuitoefening door de uitvoerende bestuurders, beantwoord ik in § VI.3.3.
Op Curaçao, St. Maarten en de BES-eilanden zijn de niet-uitvoerende bestuurders op grond van de wet belast met het houden van toezicht op de uitvoerende bestuurders. Zie art. 2:18 lid 4 sub d BWC/BW-SM/BW-BES. Op Aruba is een soortgelijke regeling te vinden in art. 51 lid 1 LVBA.
Overigens ligt de toezichthoudende taak doorgaans al op grond van de statuten bij de niet-uitvoerende bestuurders. Zie ook Boschma e.a. 2018, p. 70. De statuten van vrijwel alle beursvennootschappen die ik in mijn onderzoek heb betrokken (zie § I.3.4), kennen de taak expliciet toe aan de niet-uitvoerende bestuurders. Zie art. 14.3 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017; art. 16.3 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016; art. 18.3 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019; en art. 23.4 van de statuten van Unilever NV d.d. 9 mei 2012. Enkel bij Altice Europe NV wordt de toezichthoudende taak niet expliciet aan de niet-uitvoerende bestuurders toegekend.
Ik licht de term ‘geïntensiveerd toezicht’ toe in § VI.3.3.
Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90. In gelijke zin Nowak, Ondernemingsrecht 2016/113; en, zij het met betrekking tot de oorspronkelijk voorgestelde formulering van art. 2:129a/239a lid 1 BW, Van Olffen 2009, p. 43.
Aldus ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/203 en 438; Bier, Ondernemingsrecht 2017/105; Borrius 2012, p. 106; Dortmond, Ondernemingsrecht 2009/72; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; Van den Ingh, TvOB 2005, afl. 4, p. 115; Kersten 2018, p. 23; Nowak, Ondernemingsrecht 2016/113; Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 175; Van Olffen 2009, p. 43; Salemink, MvO 2017, afl. 1-2, p. 14; Schwarz 2017b, p. 138; en Verdam, Ondernemingsrecht 2013/102, die zijn opvatting herhaalt in Verdam, Ondernemingsrecht 2013/126; Verdam 2017, p. 166; en Verdam, Ondernemingsrecht 2018/117. Zie voorts HR 30 maart 2018, NJ 2018, 330 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2018/234 m.nt. Kraaipoel (TMF), waarin de Hoge Raad oordeelde dat het houden van onvoldoende collegiaal toezicht onder omstandigheden tot persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder kan leiden.
Zie ook de Engelse Cadbury Code 1992, p. 12: “All directors, (…) whether or not they have executive responsibilities, have a monitoring role and are responsible for ensuring that the necessary controls over the activities of their companies are in place – and working.”
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 26 (NV).
Oorspronkelijk wilde de minister in art. 2:129a/239a lid 1 BW vastleggen dat de taak om toezicht te houden niet aan een uitvoerend bestuurder kan worden opgedragen.1 De gedachte was dat de toezichthoudende taak hierdoor in ieder geval op de niet-uitvoerende bestuurders zou rusten. Bij nader inzien meende de minister dat deze gedachte niet goed uit de verf kwam.2 De voorgestelde bepaling bood ruimte om een of meer, maar niet alle niet-uitvoerende bestuurders met het houden van toezicht te belasten. De redactie van de bepaling werd daarom gewijzigd.3 Sinds 1 januari 2013 bepaalt de tweede volzin van art. 2:129a/239a lid 1 BW dat de taak om toezicht te houden op de taakuitoefening door de bestuurders niet door een taakverdeling aan de niet-uitvoerende bestuurders kan worden ontnomen.
De tweede volzin van art. 2:129a/239a lid 1 BW begrenst de vrijheid om de taken te verdelen. De taak om toezicht te houden op de taakuitoefening door de bestuurders moet op grond van deze bepaling op alle niet-uitvoerende bestuurders rusten. Dit wil evenwel niet zeggen dat de taak exclusief bij de niet-uitvoerende bestuurders ligt. De wet laat mijns inziens de mogelijkheid open dat de toezichthoudende taak op het voltallige bestuur rust. Dortmond is het op dit punt niet met mij eens. Volgens hem moet vanwege art. 2:129a/239a lid 3 BW in de statuten worden bepaald dat de niet-uitvoerende bestuurders toezicht houden.4 Het standpunt van Dortmond vindt geen steun in de wettekst. Uit art. 2:129a/239a lid 1 BW volgt dat de toezichthoudende taak expliciet aan de niet-uitvoerende bestuurders kan worden toebedeeld, maar verplicht is dat niet. Is de toezichthoudende taak niet bij of krachtens de statuten aan de niet-uitvoerende bestuurders toegedeeld, dan rust zij mijns inziens op het gehele bestuur.5
Om van effectief en onafhankelijk toezicht te kunnen spreken, is het zaak dat de toezichthoudende taak aan de niet-uitvoerende bestuurders wordt toebedeeld.6 De slager keurt anders zijn eigen vlees. Tegen deze achtergrond raadt Kersten de wetgever aan in art. 2:129a/239a lid 1 BW vast te leggen dat de toezichthoudende taak moet worden toebedeeld aan de niet-uitvoerende bestuurders.7 Hoewel ik het voorstel van Kersten waardeer, valt op de door haar voorgestelde formulering het nodige af te dingen. De door haar voorgestelde tekst roept namelijk de vraag op wat rechtens is als de taak niet aan de niet-uitvoerende bestuurders wordt toegekend. Ik stel daarom voor in art. 2:129a/239a lid 1 BW te bepalen dat de niet-uitvoerende bestuurders belast zijn met het houden van toezicht op de uitvoerende bestuurders.8 Inspiratie voor deze formulering ontleen ik aan de Caribisch-Nederlandse regelingen.9 Het voordeel van de door mij voorgestelde wettekst is dat geen uitvoering hoeft te worden gegeven aan art. 2:129a/239a lid 1 BW om effectief en onafhankelijk toezicht te bewerkstelligen. De toezichthoudende taak ligt dan immers al bij de niet-uitvoerende bestuurders.10
De tekst van art. 2:129a/239a lid 1 BW impliceert tot slot dat de toezichthoudende taak de uitvoerende bestuurders kan worden afgenomen. Betekent dit dat de uitvoerende bestuurders in het geheel geen toezicht hoeven te houden als de taak bij of krachtens de statuten aan de niet-uitvoerende bestuurders is toegekend? De wet blinkt op dit punt niet uit in helderheid.
De toezichthoudende taak waar art. 2:129a/239a lid 1 BW op doelt, betreft mijns inziens een geïntensiveerde vorm van collegiaal toezicht.11 Ik schaar mij achter de opvatting van Dumoulin dat een dergelijke toezichthoudende taak op grond van art. 2:129a/239a lid 1 BW aan de uitvoerende bestuurders kan – en moet – worden ontnomen.12 Iets anders is dat het beginsel van collegiaal bestuur ieder van de bestuurders dwingt tot het houden van toezicht op de taakuitoefening door de bestuurders. De bestuurders moeten elkaar in zekere mate controleren met het oog op de collectieve verantwoordelijkheid en – in het verlengde daarvan – aansprakelijkheid voor het gevoerde beleid.13 Deze vorm van collegiaal toezicht rust op iedere bestuurder, dus ook op iedere uitvoerende bestuurder.14 Mijn zienswijze vindt steun in de parlementaire geschiedenis. In de nota naar aanleiding van het verslag schreef de minister dat toezicht niet exclusief een aangelegenheid voor de niet-uitvoerende bestuurders is. De uitvoerende bestuurders moeten volgens hem eveneens optreden wanneer zij er kennis van dragen dat een mede-uitvoerend bestuurder zijn taak niet naar behoren vervult.15 Ik kom hier in § VI.3.3 op terug.
Tot zover de tweede volzin van art. 2:129a/239a lid 1 BW. De derde volzin stelt eveneens grenzen aan de mogelijkheid tot taakverdeling. Het voorzitterschap van het bestuur, het doen van voordrachten voor de benoeming van een bestuurder en het vaststellen van de bezoldiging van een uitvoerend bestuurder kunnen op grond van deze bepaling niet aan een uitvoerend bestuurder worden toebedeeld. Bij deze beperkingen zijn eveneens de nodige kanttekeningen te plaatsen.