Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/2.2.1
2.2.1 Het model van Tiebout
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS393145:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Mann, F.A. (1964), 'The Doctrine of Jurisdiction in International Law', Collected Courses ofthe Hague Academy of International Law, 1964-1, blz. 2.
Wautelet, P. (2004), 'What bas international private law achieved in meeting the challengesposed by globalisation', blz. 55, in: P.J. Slot en M. Bulterman (2004), `Globalisation and Jurisdiction', Den Haag: Kluwer International Law.
Tiebout, Ch. M. (1956), 'A Pure Theory of Local Expenditures', 64 Joumal of PoliticalEconomy, blz. 416-424.
Bratton, W.W. and J.A. McCahery (1997a), 'The New Economies of Jurisdictional Competition: Devolutionary Federalism in a Second-Best World', 86 Georgetown Law Journal, blz. 201-278.
Bratton, W.W. and J.A. McCahery (1997b), 'An Inquiry into the Efficiency of the Limited Liability Company: Of Theory of the Firm and Regulatory Competition', 54 Washington and Lee Law Review, blz. 629-686.
Jurisdictie is gedefmieerd als het recht van de staat om onder internationaal recht handelingen te reguleren, die niet exclusief een nationale aangelegenheid zijn.1 Dit recht van de staat kan op verschillende manieren worden uitgeoefend. Onderscheiden kunnen worden de jurisdictie om voor te schrijven (het toepasbaar maken van het eigen recht op activiteiten en relaties, door wetgeving, regulatie of bij besluit van een gerecht), de jurisdictie om te berechten (om personen of zaken te onderwerpen aan de gerechtelijke procedure) en, ten slotte, de jurisdictie om af te dwingen (het aanzetten tot of afdwingen van naleving, door gerechten of door het gebruik van uitvoerende of administratieve macht).2 Jurisdictionele competitie is gebaseerd op de economische theorie van Charles Tiebout inzake de productie van publieke goederen, zoals wegen en diensten van de politie.3 In het model van Tiebout staat een mechanisme centraal dat gezien kan worden als een markt voor publieke goederen, verschaft door concurrerende decentrale overheden en gericht op de mobiele en belastingbetalende inwoners.4 Publieke goederen worden door decentrale overheden geproduceerd en aangeboden en in ruil daarvoor betalen de inwoners belasting. Elke gemeenschap heeft een eigen belastingsysteem en zal een specifieke reeks van publieke goederen produceren. Het model legt een verband tussen de mobiliteit van inwoners en hun individuele preferenties. Dit wil zeggen dat de keuze van inwoners om ergens te gaan wonen, laat blijken welke publieke goederen en welk belastingstelsel zij het meest prefereren. Hierbij moet wel voldaan zijn aan een aantal voorwaarden, zoals onder andere (i) volledige kostenloze mobiliteit voor actoren die zich verplaatsen naar de gemeenschap die hun preferenties het beste bevredigt, (ii) aanwezigheid van een groot aantal gemeenschappen waaruit actoren kunnen kiezen en (iii) volledige informatie over de publieke goederen die elke gemeenschap aanbiedt. Indien de inwoners zich niet, of moeizaam, naar een andere gemeenschap kunnen verplaatsen zullen de decentrale overheden weinig druk voelen om aantrekkelijke producten aan te bieden. Pas indien de inwoners zich kunnen vestigen in een andere jurisdictie zullen overheden bereid zijn om de concurrentie met de andere gemeenschappen aan te gaan. Om ook daadwerkelijk te kunnen kiezen voor een andere gemeenschap, dienen er geen kosten aan deze verplaatsing verbonden te zijn. In de optimale situatie zijn de kosten dan ook gelijk aan nul. Inwoners zullen echter ook de keuze maken om zich elders te vestigen indien de voordelen die de nieuwe gemeenschap biedt groter zijn dan de kosten van de verplaatsing. Vervolgens is van belang dat de inwoners voldoende keus hebben tussen gemeenschappen. Bij een tekort aan verschillende gemeenschappen zullen de inwoners niet snel beslissen zich te verplaatsen. Ten slotte dient er voldoende informatie beschikbaar te zijn over de producten die de verschillende gemeenschappen aanbieden en het verkrijgen van deze informatie mag niet al te hoge kosten met zich brengen.
Volgens het model ontstaat er, wanneer voldaan is aan de voorwaarden, een proces van vraag en aanbod tussen overheden en inwoners, waarbij de overheden net zoals producenten van private goederen en diensten, zullen concurreren met hun publieke goederen en belastingsysteem om nieuwe inwoners aan te trekken en huidige inwoners te behouden. Uiteindelijk zullen de overheden hiermee belastinginkomsten genereren, alsook inwoners die kunnen bijdragen aan de groei en de ontwikkeling van de economie. De inwoners zullen op hun beurt in de gemeenschap wonen die het best aansluit bij hun behoeften. Dit proces van vraag en aanbod zal uiteindelijk leiden tot een marktevenwicht. Een centrale of supranationale overheid wordt hierbij gezien als kartel: zoals samenwerking tussen producenten van producten leidt tot een afname in prijscompetitie en een vermindering van prikkels tot innovatie, zal wetgeving door een centrale of supranationale wetgever het aantal potentiële concurrenten doen afnemen en het aantal ondernemersstimulansen beperken.5 Decentralisering is derhalve in dit model gewenst. De competitie die vervolgens zou kunnen ontstaan tussen de decentrale of nationale overheden, zal volgens Tiebout ondersteund moeten worden, omdat het zal leiden tot een optimale balans tussen belastingheffing en het verschaffen van publieke goederen.