De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.2.3:2.2.3 Toe te passen begrip autonomie
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.2.3
2.2.3 Toe te passen begrip autonomie
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949557:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande blijkt dat autonomie een bijzonder veelvormig begrip is dat pas een heldere betekenis krijgt als het in een bepaalde context wordt geplaatst. In het vervolg van dit hoofdstuk staat de professionele leraar centraal en wordt de context van de school, en in het bijzonder het afnemen en beoordelen van de examens, gehanteerd als uitgangspunt bij het in kaart brengen van de autonomie van de leraar. Bij het beschrijven van autonomie wordt uitgegaan van de reflectieve en relationele autonomie zoals hiervoor beschreven. Onder autonomie wordt dan ook verstaan dat iemand zonder te zijn beïnvloed, zijn verlangens, doelen en waarden heeft geïdentificeerd en vervolgens naar deze verlangens, doelen en waarden kan handelen. De mate van autonomie is tevens afhankelijk van de specifieke sociale relaties die de autonomie van het betreffende individu kunnen vergroten of verkleinen. Daarbij is van belang te benoemen dat de hiervoor geschetste theorieën voornamelijk zijn gericht op de mens als natuurlijk persoon, terwijl de leraar juist als professional onderdeel uitmaakt van een organisatie die zich inzet voor een bepaald belang. In die context is zijn autonomie aan aanvullende beperkingen onderhevig. Hierna wordt daarom nader ingegaan op de autonomie van een professional zoals een leraar.