Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.6.2
5.6.2 Jurisprudentie
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS349187:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 11 augustus 1993, nr. 91/6198, V-N 1993, blz. 4110 e.v.
Overigens zorgt de waardering van een melkquotum in familieverhoudingen ten behoeve van de belastingheffing voor bijkans onoplosbare problemen getuige HR 6 september 1995, nr. 30 495, BNB 1996/141 met noot van E. Aardema. Hierbij gaat het om de berekening van de stakingswinst en waardering van een melkquotum bij beëindiging van een maatschap tussen vader en zoon. Na Hof '-Hertogenbosch en Hof Arnhem zal Hof 's-Gravenhage (als tweede verwijzingshof) moeten beoordelen of zakelijke overwegingen hebben geleid tot een waardering van het quotum op nihil.
Overigens is blijkens een persbericht van het Ministerie van Financiën van 8 oktober 1987, nr. 87/286, V-N 1987/2209 goedgekeurd dat bij een bedrijfsovername door (klein)kinderen voor het successie- en schenkingsrecht géén waarde aan het melkquotum behoeft te worden toegekend.
Op 11 augustus 19931 boog het Hof Amsterdam zich over de problematiek van waardering van een melkquotum2 in het kader van de heffing van successierecht3.
In deze procedure gaat het om een erflater welke in een vennootschap onder firma samen met zijn broer voor gemeenschappelijke rekening een landbouwbedrijf drijft. In de vennootschapsovereenkomst is opgenomen dat de vennootschap eindigt door het overlijden van een der vennoten. Alsdan heeft de andere vennoot het recht de zaken van de vennootschap alleen of met anderen voort te zetten en het aandeel van de overleden vennoot in de activa en passiva der vennootschap over te nemen. De broer van de erflater neemt het aandeel van de erflater in de onderneming over waarbij de broer met de erfgenamen uiteindelijk tot overeenstemming komt om voor het melkquotum f 100 000 te betalen waarbij opgemerkt dient te worden dat deze prijs tot stand komt na beëindiging van een geschil voor Hof Amsterdam door middel van een vaststellingsovereenkomst (dading).
De inspecteur verzet zich tegen de uitkomst van de overeenkomst van dading. Volgens hem moet aan het melkquotum in het economische verkeer een hogere waarde worden toegekend en is er in casu sprake van een (fictieve) belastbare verkrijging op grond van art. 11 Successiewet 1956.
Het Hof beslist: het melkquotum moet worden gewaardeerd binnen het geheel van het door belanghebbende verkregen firma-aandeel. Dit betekent een lagere waardering (dan bij een afzonderlijke waardering) van het melkquotum. Bovendien heeft de inspecteur dit laatste aspect niet (althans onvoldoende) weersproken waardoor hij in de procedure in het ongelijk wordt gesteld.
Conclusie: De beslissing van Hof Amsterdam is verdedigbaar. Het is voorstelbaar dat de inspecteur beschikte over gegevens aangaande gangbare prijzen tussen derden bij overdracht van melkquota, anderzijds is het bekend dat de rendementen in de veehouderij laag tot zeer laag zijn en dergelijke ondernemingen derhalve uitsluitend met een substantieel aandeel aan eigen vermogen kunnen worden gefinancierd. Bij een onderrentabiliteit in dit deel van de agrarische sector is het ook voorstelbaar dat bij overdracht van een firma-aandeel een neerwaartse druk op de waarde van het melkquotum ontstaat. Of anders gezegd: de waarde van een melkquotum is bij losse verkoop hoger dan wanneer dit onderdeel uitmaakt van een geheel (of gedeeltelijk) overgedragen onderneming.