Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.1:4.7.1 Inleiding
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.1
4.7.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644810:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Spath, AA (2004), p. 91; Spath (2010), p. 173; Schuijling (2016), p. 110.
Dit volgt uit het specialiteits- of uniciteitsbeginsel. Zie hierover: Tweehuysen (2016), p. 10 e.v.
Het omgekeerde is van toepassing als na verbinding geen hoofdzaak is aan te merken, zie: Wichers (2002), p. 141 e.v.
Struycken (2007), p. 361 e.v.; Booms, NTBR 2015/44, p. 297-298.
HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:415; JOR 2014/119, m. nt. B.A. Schuijling; Zie ook: Van Hoof, TvI 2016/20.
Zie hierover uitgebreid: Booms, NTBR 2015/44.
Wichers (2002), p. 210.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een bestanddeel wordt een zelfstandige zaak door (fysieke) afscheiding. In de literatuur is een onderscheid gemaakt tussen afscheiding en splitsing van zaken.1 Van afscheiding is sprake als een bestanddeel fysiek door de verwijdering van de hoofdzaak een zelfstandige zaak wordt, terwijl de hoofdzaak na de afscheiding blijft bestaan. Voorbeelden van afscheiding is het verwijderen van de motor onder een vliegtuig of het losmaken van de deuren uit het huis. Op het afgescheiden bestanddeel komt een afzonderlijk eigendomsrecht te rusten, want als het losgemaakte bestanddeel een zelfstandige zaak wordt, dan moet daar een ander eigendomsrecht op rusten dan het eigendomsrecht van de hoofdzaak. Een eigendomsrecht kan immers maximaal op één zaak rusten.2 Het afgescheiden bestanddeel is altijd een roerende zaak. De hoofdzaak kan wel een onroerende zaak zijn.
Van splitsing van zaken is sprake als bestanddelen van de zaak worden losgemaakt, waardoor de oorspronkelijke zaak tenietgaat. Deze afgesplitste zaken zijn min of meer gelijk aan elkaar.3 Voorbeelden van splitsing zijn een buis die in twee gelijke stukken wordt gezaagd of een vaas die in zes verschillende stukken kapot valt. Na de splitsing bestaan ten minste twee of meer verschillende nieuwe zaken, op ieder waarvan een eigendomsrecht rust. Met splitsing wordt niet bedoeld de zogenaamde “kwalitatieve splitsing”. Dit laatste houdt in dat een deel van de bevoegdheden van de zakelijk gerechtigde wordt afgesplitst, doordat een beperkt recht op het zakelijk recht wordt gevestigd.4 Een pandhouder mag verpande vorderingen innen, maar hij is niet bevoegd om afstand van deze vordering te doen.5 Hiertoe is slechts de pandgever bevoegd. Een erfpachter verkrijgt normaliter de vruchten die de grond voortbrengt in eigendom. Deze bevoegdheid verliest hij als hij een recht van vruchtgebruik op zijn recht van erfpacht vestigt. Over de “kwalitatieve splitsing” gaat dit onderzoek niet.
Tot slot vermeld ik dat een zaak ook juridisch kan worden afgescheiden of gesplitst. Dit is bijvoorbeeld het geval als een deel van een stuk grond wordt overgedragen.6 Dit onderzoek richt zich op de gevallen waarin sprake is van een feitelijke afscheiding respectievelijk splitsing.
Afscheiding en splitsing kunnen worden gezien als spiegelbeelden van natrekking, vermenging en zaaksvorming.7 Waar de laatste drie van toepassing zijn als zaken met elkaar worden verbonden, hebben afscheiding en splitsing betrekking op de verwijdering van een of meer bestanddelen van een zaak. Bij afscheiding en splitsing is altijd sprake van het ontstaan van ten minste één extra zakelijk recht. Anders dan bij natrekking, vermenging en zaaksvorming ontbreken in de Nederlandse wet (algemene) wetsartikelen die bepalen wat de gevolgen zijn van afscheiding of splitsing. Hoe ontstaat bijvoorbeeld dat extra zakelijke recht? En wie verkrijgt dat recht en onder welke voorwaarden? Op de rechtsgevolgen van afscheiding en splitsing wordt in de volgende paragrafen nader ingegaan.