Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.6.5.3.2
4.2.6.5.3.2 Lidmaatschapsrechten in flatcoöperatie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291690:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 4.1.
A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 459.
A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 459.
Resolutie Staatssecretaris van Financiën van 8 november 1968, nr. D68/7720 (Toelichting Onroerende goederen), V-N 1968, p. 895, paragraaf 19, ingetrokken bij besluit Staatssecretaris van Financiën van 14 juli 2009, nr. CPP2008/137M, V-N 2009/39.23.
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 14 juli 2009, nr. CPP2008/137M, V-N 2009/39.23, paragraaf 10.
Lidmaatschapsrechten in een flatcoöperatie (voorheen: coöperatieve flatvereniging) die het lid aanspraak geeft op het uitsluitende gebruik van een appartement worden in Nederland niet vereenzelvigd met de onderliggende flatwoning. Het toekennen en overdragen van deze lidmaatschapsrechten wordt daarom aangemerkt als een (verhuur)dienst.1 Zoals in paragraaf 4.2.6.5.1 is opgemerkt achtte Bours dit een technische fout. Op grond van de Btw-richtlijn kan niet gezegd worden dat sprake is van een technische fout, maar de opvatting van Bours acht ik in zoverre terecht dat de kwalificatie als dienst in strijd is met het beginsel van de fiscale neutraliteit. De flatcoöperatie is in Nederland na de Tweede Wereldoorlog ontstaan bij gebrek aan een civielrechtelijke appartementenregeling.2 Hoewel er inmiddels een appartementenregeling is, komt de flatcoöperatie ook nu nog voor. Van Velten noemt als voorbeeld een flatgebouw dat geschikt is voor splitsing in appartementsrechten, maar waar dit door externe factoren (bijv. de weigering van de grondeigenaar bij erfpacht) niet mogelijk is.3 Omdat een appartementsrecht wordt vereenzelvigd met het onderliggende appartement (zie paragraaf 4.2.3.3) acht ik het vanuit het oogpunt van het beginsel van de fiscale neutraliteit wenselijk om ook de lidmaatschapsrechten in een flatcoöperatie op grond van art. 15 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn te vereenzelvigen met de onderliggende flatwoning.
Tot 1 januari 2011 kon in gebruikgemaakt worden van de goedkeuring om het toekennen en overdragen van lidmaatschapsrechten in een flatcoöperatie te vereenzelvigen met de flatwoning, mits zowel de vereniging als haar leden de gevolgen van deze goedkeuring aanvaarden.4 Deze goedkeuring is beëindigd, omdat deze handeling volgens de Staatssecretaris van Financiën niet kwalificeert als overdracht van de macht om als eigenaar over een onroerend goed te beschikken.5 Deze reden van intrekking van deze goedkeuring is merkwaardig te noemen en allerminst overtuigend. Het is juist dat art. 15 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn veronderstelt dat zonder deze bepaling geen sprake is van een levering van het onderliggende flatgedeelte als bedoeld in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn. Het punt is dat art. 15 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn Nederland desondanks de mogelijkheid biedt om de lidmaatschapsrechten in een flatcoöperatie te vereenzelvigen met het onderliggende onroerend goed en aldus recht te doen aan het beginsel van de fiscale neutraliteit. Het is mogelijk dat de Staatssecretaris van Financiën bedoeld heeft dat de houder van het lidmaatschapsrecht in een flatcoöperatie niet de macht heeft om als eigenaar over het flatgedeelte te beschikken waardoor een gelijkstelling in strijd zou zijn met het doel van art. 15 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn. Ook die reden overtuigt mij niet, aangezien uit de richtlijnhistorie expliciet blijkt dat de opstellers van art. 15 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn van het tegendeel zijn uitgegaan.