Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.2.1
12.2.1 Holistische of atomistische benadering van het bewijs?
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
De onder hypnose afgelegde verklaring uitgezonderd. Zie § 10.4.1.2.
Zie voor bespreking van deze theorieën hoofdstuk 2.
Vgl. Malsch & Freckelton 2009, p. 120.
Zie ook Malsch & Freckelton 2009, p. 132 en Merckelbach 2003, p. 219.
Van Koppen 2011, p. 248. Volgens Van Koppen is de fixatie op de beslissing mede veroorzaakt doordat bewijsmiddelen en vooral getuigen lange tijd een geringe rol speelden ter terechtzitting.
Merckelbach e.a. 2003, p. 219.
Zo is mijn ervaring als rechter-plaatsvervanger die overigens ook breder wordt gedeeld.
In het vorige deel is meermalen aan de orde gekomen dat de Nederlandse rechter vrij is in de waardering en selectie van bewijs. De rechter wordt in het Nederlandse strafproces in staat geacht zelfstandig verklaringen te wegen en de Hoge Raad ziet geen aanleiding om bepaalde verklaringen op voorhand uit te sluiten.1 Een juridische bewijstheorie die richting geeft aan de bewijswaardering is in de Nederlandse jurisprudentie niet tot ontwikkeling gekomen. Wel is vanuit andere disciplines gereflecteerd op de te nemen bewijsbeslissing en zijn er theorieën geformuleerd over wat de rechter doet of zou moeten doen bij het proces van bewijzen. In het eerste hoofdstuk zijn verschillende theorieën hierover uiteengezet. Sommige daarvan zetten het individuele bewijsstuk centraal en hanteren een atomistische benadering waarbij elk bewijsstuk afzonderlijk moet worden geanalyseerd. Bij een atomistische benadering wordt het bewijs van ‘onderaf’ geanalyseerd vanuit elk afzonderlijk bewijsstuk. Het gaat dus primair om een bottum-up benadering. Andere theorieën gaan uit van het verhaal of de constructie als geheel en hebben een meer holistisch perspectief.2 Een holistische benadering is primair top-down: de theorie is het startpunt, waarbij wordt gekeken hoe het beschikbare bewijs in die theorie past. De narratieve benadering is hier een voorbeeld van. Het risico van de top-down benadering is dat geen grondige toetsing van het bewijsmiddel zelf meer plaatsvindt en tegenstrijdigheden uit het oog worden verloren. In dat geval stelt men zich tevreden met de verklaring die past in het verhaal ofwel coherent is met het overige bewijsmateriaal en wordt niet meer gekeken naar de wijze waarop deze tot stand is gekomen.3 Zoals in het navolgende duidelijk wordt, kleven aan een dergelijke benadering bezwaren. Een verklaring die de bewering vervat in de tenlastelegging ondersteunt en aansluit bij het overige beschikbare bewijsmateriaal, hoeft immers niet in alle gevallen juist te zijn. Wil een verklaring aan het bewijs kunnen bijdragen, dan is het van belang om deze ook intrinsiek te toetsen (los van zijn coherentie met het overige bewijsmateriaal). Twijfel bestaat of deze intrinsieke toets in de Nederlandse strafprocespraktijk voldoende tot zijn recht komt.4
In Nederland lijkt de discussie over bewijs vooral te gaan over de beslissing door de rechter, maar in mindere mate over de totstandkoming en de waarde van de individuele bewijsstukken en de rol die dat dient te spelen in de oordeelsvorming van de rechter. Dit is mede het gevolg van het feit dat in het Wetboek van Strafvordering in de titel over het bewijs (art. 338-344a Sv) uitsluitend iets is geregeld over welk type bewijsmateriaal toelaatbaar is, welke maatstaf de rechter voor het nemen van een positieve bewijsbeslissing moet aanleggen en aan welke bewijsminima moet zijn voldaan. Er worden echter nauwelijks inhoudelijke eisen gesteld aan de kwaliteit van het te gebruiken materiaal. De fixatie op de beslissing leidt er volgens Van Koppen toe dat strafrechtjuristen weinig oog hebben voor het feit dat over de bewijsmiddelen zelf een aparte discussie kan worden gevoerd, die los staat van de bewijsbeslissing.5 Ook Merckelbach stelt dat juristen geneigd zijn om de verschillende verklaringen van getuigen tot één geheel te synthetiseren.6 Mijn ervaring is dat als het gaat om een dragende getuigenverklaring de discussie over de kwaliteit of waarde van die verklaring in de raadkamer wel degelijk wordt gevoerd, hoewel dat in het vonnis niet altijd is terug te zien.7 De toets die wordt aangelegd is echter – zoals we hierna nog zullen zien – noodzakelijkerwijs beperkt van aard, nu de rechter zich in veel gevallen uitsluitend baseert op de schriftelijke verklaring neergelegd in het proces-verbaal en vooral kijkt naar de steun voor de verklaring in het overige bewijsmateriaal.