Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/5.5.2.5
5.5.2.5 Voorafgaand overleg en respecteren responstijd
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649657:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Hetgeen wil zeggen dat de kapitaalverschaffers het convocatieverzoek moeten indienen op het moment dat het restant van de ingeroepen responstijd gelijk is aan de in art. 2:110 BW of art. 2:220 BW (jo art. 2:187 BW) genoemde termijn.
GS Rechtspersonen/Schwarz 2019, art. 2:110 BW, aant. 1.
Omdat in art. 2:110 BW en art. 2:220 BW is bepaald dat zowel het bestuur als de rvc bevoegd is om de verzochte algemene vergadering bijeen te roepen, moet worden aangenomen dat zij ook beiden bevoegd zijn zich op de responstijd te beroepen.
In bpb 4.1.6 NCGC is bepaald dat de mogelijkheid van het inroepen van de responstijd ook geldt voor een voornemen dat strekt tot rechterlijke machtiging voor het bijeenroepen van een algemene vergadering om een onderwerp te behandelen dat kan leiden tot wijziging van de strategie van de vennootschap. Met “een voornemen dat strekt tot rechterlijke machtiging voor het bijeenroepen van een algemene vergadering” wordt gedoeld op het voornemen tot indiening van een convocatieverzoek en niet op het voornemen tot indiening van een machtigingsverzoek. De chronologie is dat een kapitaalverschaffer voorafgaand aan het gebruik van het wettelijke convocatierecht in overleg treedt met het bestuur en de rvc. Tijdens dat overleg blijkt dat het voornemen bestaat te verzoeken om de bijeenroeping van een algemene vergadering met als doel een strategisch onderwerp te behandelen. Het bestuur en de rvc kunnen dan een responstijd inroepen van maximaal 180 dagen gerekend vanaf het moment dat het bestuur en de rvc met het voornemen bekend zijn geraakt tot aan de dag waarop de algemene vergadering zou moeten plaatsvinden. De responstijd beslaat aldus de in art. 2:110 BW en art. 2:220 BW (jo art. 2:187 BW) genoemde termijn die het bestuur en de rvc hebben om de gevraagde algemene vergadering bijeen te roepen.1 Heeft het bestuur, noch de rvc na afloop van de responstijd de gevraagde algemene vergadering bijeengeroepen, dan kan de kapitaalverschaffer de voorzieningenrechter om een machtiging tot bijeenroeping vragen.
Schwarz meent dat het bestuur en de rvc de responstijd (eerst) kunnen inroepen nadat de machtiging is verleend waarmee de kapitaalverschaffer een algemene vergadering bijeen kan roepen waarin een onderwerp behandeld zal worden dat kan leiden tot een wijziging van de strategie van de vennootschap.2 Ik zie niet goed hoe deze opvatting zich verdraagt met het gegeven dat de voorzieningenrechter bij het verlenen van de machtiging de termijnen voor de oproeping tot aan de algemene vergadering vaststelt (art. 2:111/221 lid 1 BW). Het lijkt mij niet dat het bestuur en de rvc deze termijnen kunnen doorkruisen.
In par. 4.2.3 schreef ik reeds dat het (anders dan de tekst van bpb 4.1.6 NCGC doet vermoeden) niet uitmaakt of het convocatieverzoek ex art. 2:110 BW of art. 2:220 BW wordt ingediend. Voorts schreef ik dat, ondanks dat zulks sinds de herziening van de NCGC niet meer in bpb 4.1.6 NCGC staat, voorafgaand overleg aan de indiening van een convocatieverzoek nog steeds best practice moet worden geacht, zie par. 4.2.5.4. Het bestuur en de rvc3 van vennootschappen die onder het toepassingsbereik van de NCGC vallen en bpb 4.1.6 en 4.1.7 NCGC toepassen, kunnen aldus in reactie op een voornemen tot indiening van een verzoek tot het bijeenroepen van een algemene vergadering om daar een strategisch onderwerp te behandelen, een responstijd inroepen.
In par. 5.2.4.2 schreef ik dat het bestuur van een NV of BV met een notering aan een gereglementeerde markt geen responstijd kan inroepen als reactie op een voornemen tot agendering ex art. 2:114a BW. De reden is dat art. 6 lid 3 Aandeelhoudersrichtlijn voor het wettelijke agenderingsrecht bij vennootschappen met een notering aan een gereglementeerde markt één specifieke indieningstermijn voorschrijft. Deze problematiek speelt niet ten aanzien van convocatieverzoeken. NV’s en BV’s met een notering aan een gereglementeerde markt kunnen daarom, net als de andere vennootschappen die onder het toepassingsbereik van de NCGC vallen en bpb 4.1.6 en 4.1.7 NCGC toepassen, een responstijd inroepen op een voornemen tot het indienen van een verzoek tot bijeenroeping van een algemene vergadering om daar een strategisch onderwerp te behandelen.
Hetgeen ik in par. 5.3.1.1 en par. 5.3.1.2 schreef over de vraag of het voeren van voorafgaand overleg en het respecteren van een ingeroepen responstijd voorwaarden zijn voor de indiening van een agenderingsverzoek geldt hier mutatis mutandis. Concreet wil dit zeggen dat in de gevallen waarin het wél voorwaarden voor de indiening van een convocatieverzoek zijn, de voorzieningenrechter hier (in aanvulling op art. 2:111/221 lid 1 BW) rekening mee moet houden bij de beoordeling of hij de machtiging verleent. Wendt een kapitaalverschaffer zich tijdens een door hem te respecteren responstijd tot de voorzieningenrechter dan zal de voorzieningenrechter de gevraagde machtiging afwijzen. De kapitaalverschaffer staat in dat geval met lege handen omdat tegen de beschikking van de voorzieningenrechter generlei voorziening is toegelaten (art. 2:111/221 lid 3 BW).