De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/5.4.1:5.4.1 Inleiding
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/5.4.1
5.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250398:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Honée 1971, p. 202, Jansz 1973, p. 36, Van Achterberg 1989, p. 222, Winter 1989, p. 288, Winter 1992, p. 25, Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 850-853, Franken & Franken 2008, p. 73, Biemans 2011, p. 308 en Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 613.
Zie § 5.3.
Rb. Rotterdam 14 januari 1987, NJ 1988/1050 (Phillips/Van Eijk).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meest beperkte uitleg van de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid houdt in dat de moedermaatschappij slechts aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht vanaf het moment dat de 403-verklaring is gedeponeerd.1 De moedermaatschappij is volgens deze uitleg niet aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht voordat deze verklaring is gedeponeerd. Ook niet als een dergelijke schuld na de deponering daarvan ontstaat.2 Bij de eerste uitspraak ten aanzien van de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid in 1987 heeft de Rechtbank Rotterdam volgens dit standpunt geoordeeld.3
Naast bovengenoemde uitspraak zijn er twee argumenten die dit standpunt ondersteunen: de parlementaire geschiedenis van het groepsregime en het feit dat de ten tijde van de deponering van de 403-verklaring bestaande crediteuren de mogelijkheid hebben gehad om de jaarrekening van de 403-maatschappij in te zien toen zij met laatstgenoemde een relatie zijn aangegaan.