Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/1.1.2
1.1.2 De onmogelijkheid van het onder voorwaarde van overlijden oprichten van een stichting
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232340:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Rensen 2-III 2017/310; T&C Burgerlijk Wetboek (E. Schmieman), commentaar op artikel 286 Boek 2 BW, aant. 3; Overes, GS Rechtspersonen, artikel 286 Boek 2 BW, aant. 3.
Asser/Rensen 2-III 2017/310, zo ook Handboek NV en BV 2013/152 voor de NV en de BV.
Asser/Rensen 2-III 2017/310, zo ook Handboek NV en BV 2013/152 voor de NV en de BV. Van Zeben was in 1963 van mening dat oprichting onder tijdsbepaling mogelijk zou zijn, met uitzondering van de oprichting onder opschortende tijdsbepaling van overlijden, dan zou gekozen moeten worden voor de uiterste wilsbeschikking, J.C. van Zeben, ‘Ervaringen met de Wet op stichtingen’, WPNR 1963/4770.
Naast oprichting van een stichting bij uiterste wilsbeschikking zou men van mening kunnen zijn dat nog een methode bestaat tot het in leven roepen van een stichting waarvan het bestaan pas aanvangt bij het overlijden van de oprichter: de bij opschortende tijdsbepaling van overlijden opgerichte stichting. De mogelijkheid van oprichting van een stichting onder tijdsbepaling wordt algemeen aanvaard.1 Oprichting van een stichting onder tijdsbepaling is mogelijk als het een vaste datum betreft.2 Het verbinden van een gebeurtenis aan het overlijden van een persoon wordt echter niet aangemerkt als een tijdsbepaling met vaste datum, maar als een ‘onvaste’, ‘onzekere’ tijdsbepaling.3 De reden dat een stichting onder opschortende onvaste tijdsbepaling niet kan worden aanvaard, is dezelfde als dat de oprichting onder opschortende of ontbindende voorwaarden wordt afgewezen: het rechtsverkeer verlangt zekerheid over het bestaan van een stichting.4