Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/2.7.4.2
2.7.4.2 Antibelastingontwijkingsrichtlijnen (Anti-Tax Avoidance Directive I and II)
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS394712:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor een inhoudelijke analyse van de richtlijn en achtergronden verwijs ik naar een analyse van D. Smit/M. Nouwen, plannen (anti-BEPS-richtlijn) van Europese Commissie om belastingontwijking tegen te gaan, een eerste analyse van EY, Tax Update Weekly 2016/5, https://www.ey.com/NL/nl/Services/Tax/Tuw-edition-5-analyse-EY-van-de-plannen-antibeps-richtlijn-van-de-europese-commissie-om-belastingontwijking-tegen-te-gaan.
Deze switchover bepaling staat overigens nog wel in het op 25 oktober 2016 door de Europese Commissie voorgestelde C(C)CTB. Voor een uiteenzetting daarvan verwijs ik naar I.M. de Groot, Concernbepalingen in de Common (Consolidated) Corporate Tax Base, WFR 2017/67.
Voor een uitzetting van de gevolgen van ATAD2 voor de huidige Nederlandse regelgeving met betrekking tot hybride leningen, en meer specifiek op mismatches die kunnen ontstaan als gevolg van de toepassing van de Nederlandse onzakelijkeleningdoctrine zie A.J.A. Stevens/G.K. Fibbe, Hybride hersenspinsels over BEPS en ATAD 2 (deel I: hybride financieringen), NTFR-B 2017/40 en (deel II: hybride entiteiten), NTFR-B 2017/45. In deel II gaan de auteurs ook in op de zogenoemde KG-structuren.
De Europese Commissie presenteerde op 28 januari 2016 een pakket met nieuwe voorstellen om belastingontwijking door (met name) multinationals aan te pakken. Het brede pakket aan maatregelen voorziet in de implementatie van de OESO BEPS-actiepunten (zie hoofdstuk 2.8) op EU-niveau en beoogt grondslaguitholling en winstverschuivingen binnen de EU en zelfs daarbuiten tegen te gaan. De Antibelastingontwijkingsrichtlijn is de meest belangrijke component van het pakket en zal ook verreweg de meeste impact hebben op de nationale fiscale wetgeving van de lidstaten.1 Hoe moeilijk het is om in Europees verband overeenstemming te bereiken over de technische invulling van – in dit geval – de richtlijn blijkt wel uit het feit dat een groot aantal EU ministers twee weken na de lancering van de richtlijn tegen de verwachting in bijzonder kritisch was. Het voornaamste bezwaar van veel lidstaten betrof dat veel van de in het pakket begrepen maatregelen veel verder gingen dan implementatie van de OESO BEPS-aanbevelingen. Bovendien betreurden zij dat een zogeheten effectbeoordeling van deze verdergaande maatregelen niet was opgenomen in het Antibelastingontwijkingspakket. Diverse ministers uitten de vrees dat de voorgestelde maatregelen, die verder gaan dan implementatie van de OESO-aanbevelingen, het vestigingsklimaat van hun lidstaat alsmede dat van Europa drastisch zal doen verslechteren. Uiteindelijk is er, nadat de oorspronkelijke tekst vier keer was herzien en de nodige afzwakkingen kende, op 21 juni 2016 definitieve politieke overeenstemming bereikt. Het is voor het eerst dat lidstaten een dergelijke harmonisatie van de vennootschapsbelasting binnen de EU zijn overeengekomen. Het gaat in het bijzonder om de introductie van een algemene renteaftrekbeperking (wordt nader besproken in hoofdstuk 7), een CFC-regel (wordt nader besproken in hoofdstuk 8) en een bepaling die ziet op hybride structuren (wordt onder andere nader besproken in hoofdstuk 4.2.1.4.4). Naast de implementatie van deze OESO BEPS-actiepunten, kent de richtlijn nog een emigratieheffing en een algemene antimisbruikbepaling. De richtlijn voorziet in verplichte minimumstandaarden. Het staat de lidstaten in principe vrij om bij de omzetting naar nationaal recht nog een stap verder te gaan dan waartoe de richtlijn hen verplicht. De oorspronkelijk voorgestelde “switchover” bepaling, die mogelijk grote impact zou hebben op de Nederlandse deelnemingsvrijstelling, is in de definitieve richtlijn op verzoek van meerdere lidstaten niet meer opgenomen.2 De richtlijnbepalingen moeten uiterlijk op 31 december 2018 zijn omgezet in de nationale wetgeving van de lidstaten. Voor de omzetting van de exitheffing hebben de lidstaten één jaar langer de tijd. Daarnaast geldt er voor de algemene renteaftrekbeperking, op verzoek van een aantal lidstaten, een “grandfathering’’-periode van maximaal vijf jaar (dus geldend tot uiterlijk 31 december 2023). Voorwaarde is dat er in de desbetreffende lidstaat al renteaftrekbeperkingen gelden die zich richten op grondslaguitholling en winstverschuivingen en die even effectief zijn als de renteaftrekbeperking uit de richtlijn.
Op 21 februari 2017 werd door de lidstaten ook een akkoord bereikt over een richtlijn voor hybride mismatches met derde landen (dus landen buiten de EU/EER), ook wel bekend als Anti Tax Avoidance Directive 2 (ATAD2). Hybride mismatches kunnen, kort samengevat, leiden tot dubbele niet-heffing omdat de fiscale kwalificatie van bijvoorbeeld een geldverstrekking of entiteit in het ene land anders is dan in het andere land. Het akkoord van de EU-lidstaten moet er toe leiden dat hybride mismatches tussen EU landen en landen buiten de EU worden tegengegaan. Het is de bedoeling dat de richtlijnbepaling uiterlijk 31 december 2019 is geïmplementeerd.3