Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.2.2:4.2.2 Rechtswaarden en rechtsbeginselen
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.2.2
4.2.2 Rechtswaarden en rechtsbeginselen
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS411333:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Gribnau 1997b, p. 1377 e.v. en Gribnau 1998, hfdst. 4.
Zie ook Schipper 2001, p. 84-85 voor een nadere uitwerking van deze rechtswaarden.
Vgl. de nota Zicht op wetgeving waarin als eerste kwaliteitseis voor wetgeving ‘rechtmatigheid en verwerkelijking van rechtsbeginselen’ wordt genoemd.
Gribnau 2005, p. 88.
Vgl. Gribnau 2005, p. 95.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In par. 4.2.1 gaf ik aan dat verschillende factoren denkbaar zijn om een overgangsregime te beoordelen, doch dat een rechtstheoretisch beoordelingskader gewenst is om tot een volledig, evenwichtig en gefundeerd geheel te komen.
Voor de ontwikkeling van een beoordelingskader voor overgangsbeleid zoek ik aansluiting bij de door Gribnau ontwikkelde visie op de functie en de werking van het recht.1 In navolging van Radbruch, stelt Gribnau dat het recht met name is gericht op drie rechtswaarden: rechtsgelijkheid, doelgerichtheid en rechtszekerheid.2
Uit deze rechtswaarden worden rechtsbeginselen afgeleid die aanwijzingen bevatten voor gedrag, zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Deze rechtsbeginselen zorgen ervoor dat de rechtswaarden tot uiting komen bij de rechtsvorming. Doordat rechtsvorming zich evenwel op verschillende terreinen voordoet, zoals in het verkeer tussen burgers onderling en tussen overheid en burgers, kunnen deze algemene rechtsbeginselen nader worden gespecificeerd in algemene beginselen van behoorlijke regelgeving, van behoorlijk bestuur en van behoorlijke rechtspraak. Zij bevatten gedragsnormen voor ieder van de bevoegde rechtsvormers van de trias politica. De beginselen van behoorlijke regelgeving bevatten gedragsnormen voor de wetgever.3 Deze gedragsnormen gelden ook bij het ontwerpen van overgangsrecht.
Door bij het ontwerpen van overgangsrecht rekening te houden met deze gedragsnormen komen de beginselen van behoorlijke regelgeving tot uiting. Gribnau betoogt:4
‘In feite laat Radbruch zien dat de vorming van het recht – inclusief overgangsrecht – nooit gereduceerd mag worden tot een beleidsprobleem; de juiste vormgeving van het overgangsrecht in een concrete situatie is onherroepelijk altijd ook een rechtsprobleem.’
Hierna zal evenwel blijken dat een aantal gedragsnormen bij het ontwerpen van overgangsrecht geen of nagenoeg géén rol speelt, terwijl het rechtszekerheidsbeginsel als gedragsnorm een zodanig belangrijke rol speelt dat dit beginsel nader geconcretiseerd dient te worden, om het in de praktijk toe te passen.5 De beginselen van behoorlijke regelgeving zal ik daarom herleiden tot beginselen van behoorlijk overgangsbeleid.