De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.6.6:6.6.6 Rol van de leraar
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.6.6
6.6.6 Rol van de leraar
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949325:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande blijkt dat de examens in de onderwijssectoren wezenlijk verschillend zijn geregeld. Er kan dan ook niet in het algemeen vastgesteld worden in welke mate de leraar autonomie heeft bij het beoordelen van de examens. De rol van de leraar bij de examens en de mate van beoordelingsvrijheid verschillen immers per sector. Formeel heeft enkel de examinator in het hoger onderwijs autonomie bij het afnemen van het tentamen en het vaststellen van de uitslag daarvan. De leraar in het hoger onderwijs die door de examencommissie wordt aangesteld als examinator, is immers exclusief bevoegd om het tentamen af te nemen en te beoordelen. Ook heeft hij een grote mate van beoordelingsvrijheid omdat hij voor een bepaald vak vaak zelf, binnen de kaders van de onderwijs- en examenregeling, de onderwijsdoelen, de onderwijsstof en het tentamen vaststelt en beoordeelt. De beoordeling is dan ook afhankelijk van de spe-cifieke kennis, ervaring en deskundigheid van de examinator.
In de andere onderwijssectoren komt de bevoegdheid om het examen af te nemen en te beoordelen formeel niet toe aan de leraar, maar aan het bevoegd gezag, de examencommissie of andere actoren binnen de school. Evenwel kan aangenomen worden dat de leraar in de praktijk deze taak op zich neemt. Hij heeft immers bij uitstek de kennis en vaardigheden om de leerling te examineren. Deze taak oefent hij dan uit in mandaat van het bevoegde orgaan. Dit betekent dat de leraar namens bijvoorbeeld de examencommissie de leerling examineert. De examencommissie kan de leraar evenwel instructies geven of zelfs besluiten om zelf de leerling te examineren in plaats van de leraar.
De bevoegdheid om het schooladvies vast te stellen komt toe aan het bevoegd gezag. Het is evenwel duidelijk dat deze taak in de praktijk uitgevoerd moet worden door de leraar. Het vaststellen van het schooladvies vergt kennis over zowel zijn onderwijsresultaten als zijn sociale en emotionele ontwikkeling. Alleen de leraar kan deze factoren afwegen om tot een passend schooladvies te komen. Doordat het schooladvies een afweging vergt van veel verschillende factoren, komt aan de leraar hierbij een grote mate van beoordelingsvrijheid toe.
In het voortgezet onderwijs heeft de leraar zowel formeel als informeel een rol bij de examens. Bij het schoolexamen heeft de leraar formeel geen rol, terwijl hij bij het centraal examen formeel wel een van de twee gecommitteerden is die het examen beoordeelt. De uitslag van het examen wordt echter formeel vastgesteld door het bevoegd gezag. Ook in dit geval is de leraar doorgaans leidend bij de beoordeling en het bepalen van de uitslag van het school- en instellingsexamen. Het bevoegd gezag kan immers niet afwijken van de reeds door de leraar vastgestelde beoordelingen van de verschillende school- en centrale examens. Ook ten aanzien van het middelbaar beroepsonderwijs kan aangenomen worden dat de leraar het examen afneemt en beoordeelt, ondanks dat de examencommissie hiertoe formeel bevoegd is. Enkel de leraar heeft de benodigde expertise om de leerling te examineren ten aanzien van de specifieke de kennis, het inzicht en de vaardigheden die specifiek benodigd zijn voor het beroep waar de leerling toe wordt opgeleid.