Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.8:8.8 Processuele aspecten van het algemene opschortingsrecht
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.8
8.8 Processuele aspecten van het algemene opschortingsrecht
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950384:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor het bestaan van een opschortingsbevoegdheid ex artikel 6:52 lid 1 BW is geen gerechtelijke procedure nodig. Nochtans wordt niet zelden een opschortingsgeval aan de rechter voorgelegd. Ofschoon dat strikt genomen buiten het bereik van de centrale vraag valt, ga ik in deze paragraaf in op een aantal processuele aspecten van het algemene opschortingsrecht.
De schuldenaar is opschortingsbevoegd als aan de vereisten van het algemene opschortingsrecht is voldaan. Deze opschortingsbevoegdheid is tevens een zelfstandig verweermiddel van de schuldenaar in verband met een vordering die hij op zijn wederpartij heeft.1 De schuldenaar zal daarom moeten stellen en zo nodig bewijzen dat aan de vereisten van het algemene opschortingsrecht is voldaan.2 Het bij wijze van verweer inroepen van het algemene opschortingsrecht is tevens een essentieel verweer, dat de rechter dus niet onbehandeld mag laten of ongemotiveerd mag verwerpen.3 De schuldenaar zal zijn opschortingsverweer wel voldoende duidelijk moeten stellen, omdat het ter vrije keuze van hem staat of hij zich bij wijze van verweer op zijn opschortingsbevoegdheid beroept. De rechter mag een opschortingsrecht daarom niet ambtshalve toepassen.4 Voor een succesvol opschortingsverweer is niet vereist dat de schuldenaar een eis in rechte instelt.5
De wederpartij kan zich verweren tegen het gevoerde opschortingsverweer door gemotiveerd te betwisten dat aan de opschortingsvereisten is voldaan of door een zelfstandig verweer te voeren. Voor zover de wederpartij betwist dat aan de vereisten van het opschortingsverweer is voldaan omdat zij harerzijds is nagekomen, rusten op haar de stelplicht en bewijslast van die nakoming. Tevens rusten de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de uitzonderingsgronden in artikel 6:54 en 6:55 BW op de wederpartij, behoudens voor zover het de tenzij-bepaling in artikel 6:55 BW betreft. Ook wanneer de wederpartij zich beroept op een overeengekomen opschortingsverbod of omstandigheden die naar haar standpunt met zich brengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar een opschortingsrecht inroept, rusten op haar de stelplicht en bewijslast van dat verbod of deze omstandigheden, omdat dit bevrijdende verweren zijn.6