Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.11:3.11 Conclusie
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.11
3.11 Conclusie
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605891:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht op review van een strafrechtelijke veroordeling uit de artikelen 14 lid 5 IVBPR en 2 Zevende Protocol EVRM heeft in beginsel een ruim toepassingsbereik. Beroep op een hogere instantie moet openstaan indien een persoon door een rechter voor een strafbaar feit is veroordeeld. De term criminal offence moet analoog aan artikel 6 EVRM autonoom worden uitgelegd. Niet geheel duidelijk is of onder het begrip conviction schuldvaststelling én sanctie- of strafoplegging moet worden verstaan, of dat één van beide beslissingen voldoende is om het recht op beroep te activeren. In elk geval moeten de veroordelingen voor strafbare feiten door een tribunal zijn opgelegd. Ook die term wordt analoog aan artikel 6 EVRM uitgelegd. Indien aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan, is het recht op beroep in beginsel van toepassing.
Het IVBPR lijkt ruimte te laten, en het EVRM laat daadwerkelijk ruimte voor de uitsluiting van het recht op beroep, onder meer in het geval van bagatellen. Of sprake is van offences of a minor character in de zin van artikel 2P7 EVRM hangt primair af van een abstracte maatstaf: de mogelijk op te leggen straf. Dat beperkt waarschijnlijk voor veel staten de bruikbaarheid van deze exceptie aanzienlijk. Het recht op beroep uit artikel 14 lid 5 IVBPR is ook van toepassing als na een vrijspraak in eerste aanleg voor het eerst in tweede instantie een veroordeling wordt uitgesproken. Dat betekent dat in zo’n geval beroep moet openstaan op een derde instantie. Volgens de tekst van het EVRM is het evenwel mogelijk de toepasselijkheid van het recht op beroep in deze situatie uit te sluiten.
Indien het recht op beroep van toepassing is, heeft de veroordeelde het recht dat zijn veroordeling éénmaal wordt gecontroleerd. Het IVBPR/CRM is daarbij in twee opzichten strenger dan het EVRM/EHRM. Onder het IVBPR moet zowel de schuldigverklaring als de sanctieoplegging gecontroleerd kunnen worden, terwijl het EVRM waarschijnlijk beperking van de omvang van het beroep door de staten toelaat. En volgens het CRM moet de controle in beroep zowel de feitelijke als de juridische beslissingen betreffen, zij het dat geen volledige retrial hoeft plaats te vinden, maar is volgens het EHRM beperking tot juridische toetsing of andersoortige beperking van de vernietigingsgronden aanvaardbaar. Onder beide verdragen hoeft de rechter in beroep geen nieuwe feiten of verweren te beoordelen.
Voor de toelaatbaarheid van verlofstelsels in strafzaken betekent dit het volgende. Het CRM beschouwt verlofstelsels als vorm van review en laat verlofstelsels daarom in beginsel toe, mits de verlofbeoordeling daadwerkelijk een beoordeling van de inhoud van de strafzaak behelst. Alleen inhoudelijke verlofstelsels zijn dus toegelaten, en binnen dat kader moet voorts een volledige controle van de bestreden uitspraak plaatsvinden, van zowel feitelijke als juridische beslissingen en van zowel de schuldigverklaring als de straf. Dat dergelijke intensieve controle heeft plaatsgevonden, moet bovendien blijken uit een duidelijke motivering. Justice must be seen to be done, nadrukkelijk ook bij toepassing van verlofstelsels. Onduidelijk is of inhoudelijke toetsing met (summiere) motivering onder het IVBPR zonder meer voldoende is, omdat het CRM naast het karakter van de verloftoetsing ook relevant acht dat meerdere rechters – unaniem – over het verlof beslissen en dat tegen het verlofoordeel beroep openstaat. Onder het EVRM zijn al dit soort waarborgen niet van belang. Evenals cassatie en andere beperkingen op de controle in beroep, acht Straatsburg inhoudelijke toegangsbeoordeling zonder veel omhaal van woorden acceptabel.
Een in de literatuur gesignaleerd risico van verlofstelsels is dat in het kader daarvan niet een daadwerkelijke herbeoordeling van schuldigverklaring en strafoplegging plaatsvindt. In plaats daarvan kan de beroepsrechter binnen een verlofstelsel zijn oordeel over de toegang laten bepalen door algemene belangen als werkbelasting, rechtseenheid of rechtsontwikkeling, dat wil zeggen zonder oog te hebben voor de belangen van de verdachte.1 Dat wordt onwenselijk geacht omdat, in de treffende bewoordingen van Trechsel, “leave-to-appeal-proceedings may actually prevent the operation of the very right they are supposed to satisfy”.2 In de terminologie van dit boek gaat het hierbij om vrije toegangsbeoordeling. Het CRM laat dit soort verlofstelsels niet toe. Als artikel 14 lid 5 IVBPR van toepassing is, dient ook in het kader van een verlofstelsel immers inhoudelijke beoordeling van het beroep plaats te vinden. Het EHRM staat vrije verlofbeoordeling wel toe. Conform het Explanatory Report beschouwt het Hof alle soorten verlofstelsels, dus ook vrije verlofstelsels, als toelaatbare vorm van review. Als het EHRM dus een aspect van een rechtsmiddelenregeling als leave to appeal kwalificeert, dan is daarmee het lot van een klacht daarover bezegeld. Anders dan het CRM, toetst het EHRM dus tamelijk abstract of nationale rechtsmiddelen voldoen aan het recht op beroep.
Over afgescheiden toegangsonderzoek bestaat onder beide verdragsrechten op beroep nauwelijks jurisprudentie. Niet uitgesloten is dat de beoordeling van de toegang tot beroep aan een ander orgaan mag worden overgelaten dan de beroepsrechter zelf. Gekeken naar de verlofprocedure is vooral van belang dat het CRM een recht op stukken in artikel 14 lid 5 IVBPR heeft gelezen. Ook – of: juist – ten behoeve van verloftoetsing in beroep moet de insteller van beroep in beginsel kunnen beschikken over de uitspraak en het proces-verbaal uit vorige aanleg.
Onder artikel 2P7 EVRM zijn dus in hoger beroep en cassatie zowel inhoudelijke als vrije verlofstelsels toegelaten. Het EHRM stelt op grond van deze bepaling niet of nauwelijks eisen aan gewone rechtsmiddelen. Onder artikel 14 lid 5 IVBPR is in hoger beroep alleen een inhoudelijk verlofstelsel toegelaten, dat bovendien van bepaalde procedurele waarborgen moet zijn voorzien. In cassatie zijn in beginsel zowel inhoudelijke als vrije verlofstelsels toegelaten, behalve in het geval dat de verdachte voor het eerst in hoger beroep is veroordeeld. In dat geval moet ook in cassatie inhoudelijke beoordeling van het beroep plaatsvinden, bij wijze van of na verlofbeoordeling.