Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/13.8.3:13.8.3 Voorlopig Verslag
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/13.8.3
13.8.3 Voorlopig Verslag
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS483592:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Voorlopig Verslag wordt de keuze van Meijers niet geheel begrijpelijk geacht. Na het aanhalen van een aantal voorbeelden (dorsvloer, speelplaatsen) volgt de opmerking dat een notariële akte gelet op het belang van partijen en derden ‘bepaald’ in aanmerking komt. Het Voorlopig Verslag vervolgt met:
‘het is daarom niet in te zien, waarom hier wordt afgeweken van het systeem, neergelegd in artikel 3.4.2.4 (art. 3:89; JGG) jo. artikel 3.4.2.11 (art. 3:98; JGG).’
Gelet op de betrokken belangen zowel van partijen, opvolgers van partijen als derden, is een goede kenbaarheid van mandeligheid van belang.
‘Het voorschrijven van een notariële akte ook hier is derhalve rationeel.’1
Volgens de MvA II is de overeenkomst niet te vergelijken met de overeenkomst als bedoeld in art. 3.4.2.4
Na aanhaling van onder andere art. 3.4.2.4 (art. 3:89; JGG) wordt in de MvA II de vraag gesteld of art. 5.1.1 van het stelsel zoals in titel 3.4 neergelegd beoogt af te wijken.
Als argumenten voor een bevestigende beantwoording van deze vraag worden aangegeven:
de terminologie is anders: ‘de bestemming moet blijken’;
er wordt in de voorliggende ontwerpen geen notariële akte verlangd;
de bestemming mag ook uit de feitelijke toestand blijken.2
Vervolgens vangt de Minister aan met de constatering dat ook hij de visie van de ontwerpers niet kent.
Hij deelt mee:
‘De ondergetekende laat in het midden wat de ontwerpers op dit punt precies voor ogen stond,’
en vervolgt met:
‘maar meent dat het geen aanbeveling verdient hier aansluiting bij artikel 3.4.2.4 en soortgelijke bepalingen te zoeken. Daar gaat het om rechtshandelingen als een overdracht, waarbij de strekking een recht geheel of ten dele op een ander te doen overgaan, voorop staat. Van het bestemmen van een zaak tot gemeenschappelijk nut kan dat niet worden gezegd, al kan het als gevolg van het onderhavige artikel wel een rechtshandeling zijn die verandering brengt in de rechtstoestand van een registergoed (de betreffende erven c.q. mandelige zaak) of voor die rechtstoestand van belang is.’3
Vervolgens betrekt de Minister de problematiek van de derdenbescherming in zijn betoog.4
De bestemmingsovereenkomst kan ingevolge het bepaalde in art. 3.1.2.2 lid 1 aanhef en onder a in de openbare registers worden ingeschreven. De inschrijving is niet constitutief. Niet-inschrijving daarvan bergt evenwel het gevaar in zich dat onkundige verkrijgers onder bijzondere titel van een erf, de mandelige zaak of een onverdeeld aandeel in de gemeenschapde mandeligheid niet tegengeworpen kan worden.
De Minister acht dit gevaar niet groot.
Ten slotte merkt de Minister nogmaals opdat de bestemming een rechtshandeling is die een verandering van de rechtstoestand van registergoederen brengt, althans voor die rechtstoestand van belang is.5