Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/10.3.10:10.3.10 Massaclaims
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/10.3.10
10.3.10 Massaclaims
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582353:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Polak 2006, p. 2348-2349.
HvJ EG 1 oktober 2002, zaak C-167/00 (VKI/Henkel), Jur. 2002, p. 1-8111, NJ 2005, 221 m.nt. PV.
Vgl. Polak 2006, p. 2349.
Polak 2006, p. 2349.
Polak 2006, p. 2350.
Polak 2006, p. 2350.
Polak 2006, p. 2350.
Polak 2006, p. 2350-2351.
Polak 2006, p. 2351.
Polak 2006, p. 2351; Zie bijvoorbeeld Rb. Arnhem 27 september 2001 (WACA c.s./Baan c.s.), NIPR 2002, p. 272.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij een schending van het mededingingsrecht zijn vaak een groot aantal schadelijders betrokken en een beperkt aantal schadeveroorzakers. Deze schade valt te kwalificeren als massaschade en de daarbij horende claims als massaclaims die met behulp van class actions of collectieve acties kunnen worden geëffectueerd. In hoofdstuk 8 is aandacht besteed aan de mogelijkheid om als collectiviteit het mededingingsrecht privaatrechtelijk te handhaven. Collectieve acties, class actions en de WCAM-procedure kunnen van belang zijn bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht. Voor wat betreft de internationale bevoegdheid van de rechter bij een collectieve actie, class action of de WCAM-procedure dient eerst te worden vastgesteld of de collectieve actie, class action of WCAM-procedure binnen het materieel en formeel toepassingsgebied van de EEX-VO vallen.
Voor wat betreft het materieel toepassingsgebied kan worden aangenomen dat de collectieve actie, de WCAM-procedure en de class action binnen het materieel toepassingsgebied van de EEX-VO vallen. Een in een lidstaat ingestelde collectieve actie of class action, die tot doel heeft de privaatrechtelijke aansprakelijkheid van de laedens jegens een groep gelaedeerden vast te stellen, valt onder het begrip 'burgerlijke en handelszaken'. Ook de WCAM-procedure, die tot doel heeft een privaatrechtelijke overeenkomst die gesloten is in het kader van de privaatrechtelijke aansprakelijkheid van de laedens jegens een groep gelaedeerden verbindend te verklaren, valt onder het begrip 'burgerlijke en handelszaken'.1 Deze conclusie wordt ondersteund door de uitspraak via/ Henkel van het HvJ EG.2 In deze zaak betreffende een Oostenrijkse consumentenorganisatie (Verein für Konsumenteninformation) die op grond van het Oostenrijks recht de bevoegdheid had om ten behoeve van consumenten een verbodsactie in te stellen inzake het gebruik van oneerlijke contractbepalingen, oordeelt het HvJ EG (r.o. 30):
'Een vereniging voor consumentenbescherming als via is immers een privaatrechtelijk orgaan, en bovendien houdt het hoofdgeding, zoals de Duitse regering terecht stelt, geen verband met de uitoefening van overheidsbevoegdheid, aangezien het enkel de uitoefening betreft van bevoegdheden die buiten het bestek vallen van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels van gemeen recht. De bij de verwijzende rechter aanhangige vordering betreft integendeel het verbod voor handelaars om in overeenkomsten met consumenten oneerlijke bedingen te gebruiken, en heeft dus tot doel privaatrechtelijke betrekkingen door de rechter te laten toetsen. Een dergelijke vordering betreft dus een burgerlijke zaak zoals bedoeld in artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag.'
Het feit dat viu een privaatrechtelijke organisatie is, en de rechtsvordering van viu tegen Henkel geen verband houdt met de uitoefening van overheidsbevoegdheid maar toetsing van privaatrechtelijke betrekkingen aan de hand van het gewone privaatrecht tot doel heeft, brengt met zich mee dat het een burgerlijke zaak betreft die onder het materiële toepassingsgebied van de EEX-Vo valt.3
De collectieve actie of class action valt, indien de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ook onder het formeel toepassingsgebied van de EEX-Vo (artikelen 2-4). Bij de WCAM-procedure dient de vraag beantwoord te worden of er sprake is van een verweerder in de zin van de artikelen 2-4 EEX-Vo. Polak beantwoordt deze vraag bevestigend, nu artikel 1013 Rv bepaalt dat de personen ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten (de gelaedeerden) worden opgeroepen voor de behandeling van het verzoek tot verbindendverklaring, en dat deze personen de bevoegdheid hebben een verweerschrift in te dienen.4 Het ligt dan ook in de rede om de gelaedeerden te beschouwen als verweerders in de zin van de EEX-Vo.
Wanneer er meerdere verweerders zijn, is de rechter van de woonplaats van één van hen bevoegd. Zie artikel 6 sub 1 EEX-Vo. Nu het in mededingingszaken veelal om een actie op grond van onrechtmatige daad zal gaan, kan de collectieve actie, class action of WCAM-procedure op grond van artikel 5 sub 3 EEX-Vo ook worden ingesteld bij de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen. Op grond van artikel 24 EEX-Vo is het ook mogelijk dat de procespartijen stilzwijgend instemmen met de bevoegdheid van de rechter die door de eisers of verzoekers is geadieerd (impliciete forumkeuze).5
Indien het een verweerder betreft die buiten een lidstaat woont, dan is voor de Nederlandse rechter het commune internationaal bevoegdheidsrecht van toepassing. Voor de WCAM-procedure dient in dat geval gekeken te worden naar artikel 3 Rv, artikel 1013 lid 1 Rv en artikel 7:907 lid 1 BW (zie § 10.3.2). De Nederlandse rechter zal bevoegd zijn indien (a) hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, één van hen, hetzij één van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, (b) het verzoek betrekking heeft op een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding ten aanzien waarvan de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, of (c) de zaak anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is. De Nederlandse rechter komt bij de vaststelling van zijn bevoegdheid geen forum non conveniens-correctie toe (zie § 10.3.8).
Polak wijst op het feit dat zich bij massaclaims snel problemen kunnen voordoen rond gelijktijdig aanhangige procedures in binnen- en buitenland, zeker gelet op de grote aantallen gelaedeerden die bij een massaclaim zijn betrokken.6 Te denken valt aan de individuele gelaedeerde van een mededingingsinbreuk die in Nederland een actie tot verkrijging van schadevergoeding jegens de laedens instelt, terwijl in het buitenland een class action tegen de laedens aanhangig is gemaakt tot verkrijging van schadevergoeding. Tevens valt bijvoorbeeld te denken aan een in Nederland geïnitieerde WCAM-procedure die samenvalt met een actie van een Duitse gelaedeerde die een procedure is begonnen bij de Duitse rechter.
In § 10.3.9 bleek dat zowel in de EEX-VO als in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt uitgegaan van het principe dat de laatst ingestelde procedure wordt aangehouden en de eerst aanhangig gemaakte procedure voorrang krijgt. Met dit principe als uitgangspunt wordt dubbel werk voorkomen en wordt tevens voorkomen dat rechters in twee of meer landen tot onverenigbare beslissingen komen.7 Zoals reeds in § 10.3.9 bleek, wordt in de EEX-VO een onderscheid gemaakt tussen litispendentie en connexiteit. Polak stelt zichzelf de vraag of de bepalingen betreffende litispendentie (EEX-vo en artikel 12 Rv) en connexiteit (EEX-vo) zich lenen voor toepassing op de situatie waarbij één van de aanhangige procedures een massaclaim betreft of op de situatie waarbij alle aanhangige procedures massaclaims betreffen.8 Het kenmerkende verschil tussen een 'normale' situatie en een massaclaim situatie is dat het bij een normale situatie gaat om parallelle procedures tussen personen die zelf als procespartij optreden, terwijl het bij een massaclaim gaat om benadeelden die niet zelf als procespartij deelnemen aan een massaclaim, maar in beginsel wel aan de daaruit voortkomende rechterlijke uitspraak of schikking zijn gebonden.9 In de jurisprudentie is het antwoord (nog) niet te vinden.
Polak ziet desondanks een aanwijzing in de ratio van de litispendentieen connexiteitbepalingen. De achterliggende ideeën zoals de bevordering van de procesefficiëntie en het voorkomen van onverenigbare beslissingen brengen met zich mee dat de laatst geadieerde rechter, die tot de conclusie komt dat in een ander land reeds een massaclaim of individuele aansprakelijkheidsprocedure betreffende de schending van het mededingingsrecht aanhangig is gemaakt, het voor hem lopende proces dient aan te houden 'totdat duidelijk is geworden in hoeverre een rechterlijke uitspraak of schikking in de eerst ingestelde procedure relevant zou kunnen zijn voor de rechterlijke oordeelsvorming in de laatst ingestelde procedure.'10 Hij baseert deze bevoegdheid van de rechter tot aanhouding van de procedure op de eisen van een goede procesorde, nu supranationale of nationale bepalingen die van toepassing zijn op deze situatie van parallelle procedures ontbreken.