Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.1
1.1 Ruim een halve eeuw een pleidooi voor een andere heffingsmethode
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS442296:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
OECD, 2015, p. 308; en OECD, 2013, p. 303.
Utrechtsch Nieuwsblad 26 mei 1962, p. 3.
Van der Poel, 1952; zie ook Lokin, 2006, p. 42-45.
Doedens was enkele maanden daarvoor tot hoogleraar aan de universiteit van Groningen benoemd. Tot dat moment was hij onder andere als docent werkzaam geweest aan de Rijksbelastingacademie.
De in dat verband vaak gebruikte begrippen ‘pay as you go’ (PAYG) en ‘pay as you earn’ (PAYE) betekenen feitelijk hetzelfde. Het is een systematiek voor belastingplichtigen om het door hen (verwachte) verschuldigde bedrag in termijnen te (laten) voldoen. De term PAYE wordt onder andere in het Verenigd Koninkrijk gebruikt (ingevoerd in 1944) en PAYG onder andere in de Verenigde Staten en Australië. Zie onder andere: Lymer & Oats, 2010, p. 16; https://en.wikipedia.org/wiki/Pay-as-you-go_tax; en https://www.irs.gov/taxtopics/tc306.html.
Doedens, 1952.
Uit het verslag van de forumdiscussie van het symposium van de Vereniging van Adjunct-inspecteurs in 1990 (hierna), blijkt dat Reugebrink in zijn opening verwijst naar deze diesrede (zie Stevens, 1990, p. 1072). Reugebrink is van mening dat Doedens in de rede de heffingstechniek van pay as you go al verdedigde. Ik deel deze opvatting van Reugebrink niet. Doedens heeft – zo blijkt ook uit het citaat – namelijk expliciet gesteld dat hij geen voorkeur wil uitspreken voor een andere wijze van heffen zonder dat daar vooraf onderzoek naar is gedaan.
Jansma, 1965, p. 527 e.v.
Dit voorstel is opgesteld door een commissie die onder leiding stond van de in 2015 overleden Reuvers. Door Happé wordt hij aangeduid als iemand die zijn hele leven een pleitbezorger is geweest van de visie om de heffingsmethode van de inkomsten- en de vennootschapsbelasting om te zetten naar voldoening op aangifte. Zie Happé, 2015, p. 63.
VHMF, Voldoening op aangifte, 1995. Het rapport is uitgebracht door een commissie die onder leiding stond van J.W. van der Voort (op dat moment medewerker van de Belastingdienst).
VHMF, 2012, p. 5 en 6; en zie ook Rutten, 2013, p. 418 e.v.
Op 1 mei 1991 fuseerde de Vereniging van Adjunct-inspecteurs van ’s Rijks belastingen met de toenmalige Vereniging van inspecteurs van ’s Rijks belastingen. In 1993 fuseerden de Vereniging van Inspecteurs van 's Rijksbelastingen, de Koninklijke Broederschap van Ontvangers en de Vereniging van Overheidsaccountants tot de VHMF.
De sprekers waren: prof. mr. H.J. Hofstra, mr. M. Romyn, prof. dr. L.G.M. Stevens, C.L.W. van Slobbe RA en mr. F.W. Imhof.
De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) signaleert al enkele jaren dat het heffen van belasting over het inkomen in steeds meer landen, vooral niet-Europese, plaatsvindt op basis van de principes van ‘self-assessment’. Dit houdt volgens de OESO in dat niet langer alle of de meeste aangiften door belastingdienstmedewerkers worden onderzocht voordat aan belastingplichtigen een aanslag wordt opgelegd (‘administrative assessment’).1 In de constatering van de OESO klinkt een soort aansporing door aan andere landen om ook na te denken over een omzetting naar ‘self-assessment’. Voor Nederland komt dit erop neer dat belastingen, waarbij de heffing en inning thans plaatsvindt op basis van ‘heffing bij wege van aanslag’ (zoals de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting), zouden worden getransformeerd in belastingen op basis van ‘heffing bij wege van voldoening op aangifte’. Anders gezegd: de ‘aanslagbelastingen’ zouden worden omgevormd tot ‘aangiftebelastingen’.
Een decennialange pleitbezorger voor een dergelijke omvorming in Nederland is de Vereniging van Hogere ambtenaren bij het Ministerie van Financiën (VMHF). Op 25 mei 1962, tijdens een algemene vergadering van de Vereniging van Inspecteurs van 's Rijks belastingen (een rechtsvoorganger van de VHMF), werpt de toenmalige voorzitter Van Lanschot Hubrecht in zijn jaarrede de vraag op of de methode van aanslagregeling voor de inkomsten-, vermogens- en vennootschapsbelasting in Nederland kon en mocht worden bestendigd. In plaats daarvan stelt hij een systeem van heffing voor waarbij de berekening en afdracht van belasting aan de belastingplichtige wordt overgelaten en de Belastingdienst achteraf steekproefsgewijs controleert. Van Lanschot Hubrecht geeft hierbij aan dat dit systeem in de Verenigde Staten voor de income tax al wordt toegepast. Hij plaatste zijn vraag tegen de achtergrond van uitstroom van personeel, toename van werk door bevolkingsaanwas en stijgende welvaart en de achterstand in het werk bij de Nederlandse Belastingdienst.2 Op 16 oktober 1952, ruim negen jaar voor de jaarrede van Van Lanschot Hubrecht, wees Doedens er in zijn rede ter gelegenheid van de dies natalis van de Rijksbelastingacademie al op dat voor de wijze van heffen kan worden geleerd van de werkwijze in andere landen.3, 4 Doedens was vooral van mening dat de betaling van belasting zoveel mogelijk (zowel qua tijdstip als qua moment) zou moeten aansluiten bij de stroom van inkomsten die aan een belastingplichtige toevloeit5:
“Of ons systeem, dan wel de alom in het buitenland toegepaste spontane vooruitbetalingen de voorkeur verdienen, waag ik niet te beoordelen. Een onderzoek naar de practische ervaringen in het buitenland opgedaan, moet hier aan het vellen van een oordeel vooraf gaan.
(…)
Het voorgaande ten slotte samenvattende kan worden geconcludeerd, dat de heffing van de inkomstenbelasting op de grondslag “pay-as-you-go” voor de werknemers en de gepensioneerden welhaast zo dicht mogelijk is bereikt. Voor de zelfstandigen zijn wij aanzienlijk verder van het doel, doch voor deze groep kunnen nog verschillende verbeteringen worden overwogen, waarbij ook de buiten ons land gekozen oplossingen leerrijk zijn. Een zekere differentiatie tussen de belastingplichtigen naar gelang van het bedrag dat zij hebben op te brengen, met voor de “grootste” belastingplichtige een bepaalde verschuiving van accent naar de voorlopige aanslagen, in dier voege dat daaraan wat meer aandacht worde besteed dan tot dusver, lijkt gerechtvaardigd.” 6, 7
In de ruim vijftig jaar na de jaarrede in 1962 heeft de inspecteursvereniging drie voorstellen gepubliceerd, waarin ze pleit voor een omzetting van de heffingsmethode van de inkomsten- en de vennootschapsbelasting. Het eerste verscheen in 1964.8, 9 Het tweede dateert van 1995.10 En het laatste voorstel is gepubliceerd in 2012.11 Ook heeft de Vereniging van Adjunct-inspecteurs van ’s Rijks belastingen in 1990 een symposium georganiseerd over “de invoering van een systeem van afdoening op aangifte”.12 Naar aanleiding hiervan is een themanummer van het Weekblad voor Fiscaal Recht verschenen (WFR 1990/5923) waarin de bijdragen van de sprekers op dit symposium zijn opgenomen en dat ook een verslag bevat van de forumdiscussie.13 In paragraaf 6.3.2 van dit proefschrift bespreek ik een relevant deel van deze bijdragen.