Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/5.2
5.2 Groen/Schoevers (1997) en X/Gemeente Amsterdam (2020)
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583438:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Thans art. 7:616 BW.
Op basis van deze Arbeidsvoorwaardenregeling konden werknemers bij Schoevers onder meer aanspraak maken op een eindejaarsuitkering, een bijdrage in de ziektekostenverzekering, toepassing van de pensioenregeling en aanvullend loon in geval van ziekte.
HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, r.o. 3.4 (Groen/Schoevers).
HR 8 april 1994, JAR 1994/94 (Agfa/Schoolderman).
Zie hierover tevens: Boot, ArbeidsRecht 1998, 53 en Jansen & Loonstra, TAP 2010/1.
HR 16 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1445, tevens NJ 1996, 329 m.nt. C.J.H. Brunner (NN/Woudsend), ook wel: Vakantiewerkers-arrest, r.o. 3.2.
Zie uitvoerig over de pre-Groen/Schoevers-arresten van de Hoge Raad: Boot 2005, p. 57-65.
HR 14 november 1997, NJ 1998, 149 (Groen/Schoevers), r.o. 3.4.
Zie verder: paragraaf 5.6.
HR 14 november 1997, NJ 1998, 149 (Groen/Schoevers), r.o. 3.4.
Zie hierover uitgebreid mijn bijdrage in TAP 2019/152, zie verder: paragraaf 5.5.
HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746, r.o. 3.2.2 (X/Gemeente Amsterdam). Voorts maakt de Hoge Raad in X/Gemeente Amsterdam duidelijk dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst, een onderscheid moet worden gemaakt tussen de uitleg- en kwalificatievraag. Deze ‘tweefasentoets’ komt nader aan bod in paragraaf 5.3.
In paragraaf 6.3.4 wordt onderzocht in hoeverre de lagere rechtspraak van voor X/Gemeente Amsterdam (en na Groen/Schoevers) op dit onderdeel in lijn is met X/Gemeente Amsterdam.
Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werklozen.
De betekenis van dit arrest voor de uitleg van de elementen arbeid en loon is reeds in hoofdstuk 4 aan bod gekomen. Verder klaagde het middel onder meer dat het hof zou hebben miskend dat in wezen sprake was van een vorm van dwangarbeid of verplichte arbeid bij de gemeente, en deed de uitkeringsgerechtigde een beroep op het beginsel ‘gelijk loon voor gelijk werk’ en op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Ook deze onderdelen blijven in dit onderzoek verder buiten beschouwing. In dit hoofdstuk wordt enkel stilgestaan bij de cassatiemiddelen die verband houden met de wijze waarop moet worden beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst, en de rol die de partijbedoeling in dat verband speelt (met name subonderdeel 2.2-I). Zie ook: Laagland & Said, ArA 2021/2.
Conclusie A-G De Bock 17 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:698.
Zie in gelijke zin E. Verhulp, JAR 2020/52, en S.J.M. Bouwman, JIN 2020/9.
Het arrest Groen/Schoevers geldt sinds 1997 als het standaardarrest op het gebied van de kwalificatie van arbeidsrelaties. Zoals gezegd heeft de Hoge Raad in het arrest X/Gemeente Amsterdam nader inzicht verschaft in de wijze waarop het arrest Groen/Schoevers moet worden uitgelegd. Voor een goed begrip van X/Gemeente Amsterdam, dient dan ook eerst te worden teruggeblikt op het arrest Groen/Schoevers.
Het arrest Groen/Schoevers is het resultaat van de volgende, nogal atypische casus. Belastingadviseur Groen en onderwijsinstelling Schoevers sluiten op enig moment een mondelinge overeenkomst, op basis waarvan Groen onderwijswerkzaamheden voor Schoevers verricht. Groen verzendt voor deze werkzaamheden maandelijks facturen aan Schoevers vanuit zijn commanditaire vennootschap, waarop btw in rekening wordt gebracht – een betalingswijze die op initiatief van Groen wordt overeengekomen. Wanneer Schoevers de overeenkomst na bijna 2,5 jaar opzegt, stelt Groen zich op het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, nu volgens Groen aan alle vereisten van artikel 7A:1637a BW (oud)1 was voldaan. Dat hij geen ‘regulier’ loon ontving, maar facturen vanuit zijn vennootschap verzond, deed hier volgens Groen niet aan af. Het stond hem ingevolge artikel 7A:1638 lid 1 BW (oud)2 immers vrij te bedingen dat het loon aan zijn vennootschap werd betaald, aldus Groen. Het atypische aan deze casus is dat Groen op het eerste gezicht niet ‘aandoet’ als werknemer. Groen is een zelfstandig en zakelijk dienstverlener, en gaat vanuit die hoedanigheid een samenwerking met Schoevers aan. De wijze waarop de samenwerking – mede op initiatief van Groen! – is vormgegeven, lijkt te duiden op een gelijkwaardigheid van partijen, en niet op een situatie waarin een van beide partijen – in casu: Groen – een (economisch) zwakkere positie zou innemen.
Groen vangt zowel bij de kantonrechter als bij de rechtbank bot. De rechtbank overwoog in hoger beroep dat tussen partijen geen sprake was van een gezagsverhouding, en dat evenmin sprake was van loon in de zin van artikel 7A:1637a BW (oud). Het enkele feit dat Groen op vastgestelde tijden aanwezig moest zijn en de bij Schoevers geldende richtlijnen moest respecteren, was in de gegeven omstandigheden onvoldoende om van een gezagsverhouding te kunnen spreken. Groen mocht immers zelf opgeven op welke dagen hij les wilde geven, mocht zijn lessen verschuiven wanneer hij op vakantie wilde, en kon zich desgewenst laten vervangen. De overeengekomen betalingswijze – die nota bene op initiatief van Groen tot stand was gekomen – week dusdanig af van hetgeen in het kader van een arbeidsovereenkomst gebruikelijk is, dat de rechtbank ook hierin een aanwijzing zag dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De betalingen werden voldaan aan de vennootschap van Groen, waarbij btw in rekening werd gebracht en geen loonbelasting of premies werknemersverzekeringen door Schoevers werden ingehouden. Verder had Groen op geen enkel moment vakantiebijslag of betaling tijdens ziekte ontvangen, en was hij niet onderworpen aan de bij Schoevers geldende Arbeidsvoorwaardenregeling.3 Voorts kende de rechtbank betekenis toe aan het feit dat Groen naast Schoevers ook andere opdrachtgevers had: wederom een omstandigheid die niet in de richting van een arbeidsovereenkomst wees.
Ook in cassatie werd Schoevers in het gelijk gesteld: de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van Groen, zodat het oordeel van de rechtbank – geen arbeidsovereenkomst – in stand bleef. Hoewel Groen achter het net viste, is het arrest voor de rechtsontwikkeling zeer waardevol geweest. De Hoge Raad introduceerde de rechtsregel die decennialang zou worden herhaald, zowel door de Hoge Raad zelf als door feitenrechters. Allereerst overwoog de Hoge Raad dat de rechtbank terecht tot uitgangspunt had genomen dat wat tussen partijen heeft te gelden:
‘wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.Aan de hand van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst kan de rechter vervolgens bepalen of de overeenkomst behoort tot een van de in de wet geregelde bijzondere overeenkomsten’4
Met deze formulering leek de Hoge Raad de partijbedoeling voorop te stellen: hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond is immers bepalend, en de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven dient daarbij mede in aanmerking te worden genomen. De Hoge Raad leek daarmee in Groen/Schoevers een (lichte) koerswijziging in te zetten ten opzichte van zijn eerdere rechtspraak. Zo overwoog de Hoge Raad drie jaar eerder in het arrest Agfa/Schoolderman nog dat de aanvankelijk overeengekomen arbeidsvoorwaarden niet doorslaggevend zijn, ‘maar dat mede betekenis toekomt aan de wijze waarop partijen in de praktijk aan de arbeidsovereenkomst uitvoering geven en aldus daaraan een andere inhoud hebben gegeven.’5 Hoewel ook hier werd overwogen dat de feitelijke uitvoering mede van belang kan zijn, ontbrak in dit arrest de uitdrukkelijke overweging dat de partijbedoeling bepalend is.6 Een soortgelijk beeld komt terug in het arrest NN/Woudsend, dat in hetzelfde jaar als Agfa/Schoolderman werd gewezen. Hier oordeelde de Hoge Raad dat het hof geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie betekenis toe te kennen aan de (afwijkende) wijze waarop uitvoering aan de overeenkomst was gegeven.7 Ook uit dit arrest valt niet af te leiden dat de partijbedoeling voorop zou staan.8
De Hoge Raad vervolgde in Groen/Schoevers met de overweging:
‘Daarbij is de Rechtbank met juistheid ervan uitgegaan dat niet één enkel kenmerk beslissend is, maar dat de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband moeten worden bezien.’9
Uit de voormelde overweging volgde dat de kwalificatie van arbeidsrelaties een holistische exercitie is, waarbij geen enkel kenmerk op zichzelf beslissend is.10 De Hoge Raad overwoog vervolgens:
‘Door op grond van deze overwegingen — waarbij de Rechtbank kennelijk mede rekening heeft gehouden met de maatschappelijke positie van Groen en met name in aanmerking heeft genomen dat de wijze van betaling van de tegenprestatie op zijn initiatief is tot stand gekomen — in onderling verband bezien tot de slotsom te komen dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, heeft de Rechtbank niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.’11
Hoewel hiermee duidelijk was dat bij de beantwoording van de kwalificatievraag ook de maatschappelijke positie van partijen een rol kan spelen, viel uit deze overweging niet op te maken wat de exacte rol en betekenis van dit element was.12
De in Groen/Schoevers geïntroduceerde ‘kwalificatieformule’ is nadien niet alleen bevestigd door de Hoge Raad zelf, maar is ook zeer geregeld in de lagere rechtspraak – vaak haast letterlijk – aangehaald in kwalificatiekwesties. In X/Gemeente Amsterdam leek de Hoge Raad echter te impliceren dat Groen/Schoevers in de praktijk verkeerd werd uitgelegd, met name ten aanzien van de rol van de partijbedoeling:
‘Anders dan uit het arrest Groen/Schoevers wel is afgeleid, speelt de bedoeling van partijen dus geen rol bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.’13
Het was voor het eerst dat de Hoge Raad zich uitdrukkelijk uitliet over de wijze waarop Groen/Schoevers moest worden uitgelegd. Het arrest X/Gemeente Amsterdam deed in het najaar van 2020 dan ook een hoop stof opwaaien in arbeidsrechtelijk Nederland. Kennelijk werd Groen/Schoevers – dat al bijna 23 jaar als standaardarrest gold – niet (altijd) op de juiste manier uitgelegd.14
Bijzonder is dat het geschil in X/Gemeente Amsterdam zowel een privaatrechtelijke als een publiekrechtelijke component kende: X/Gemeente Amsterdam was dus, net als Groen/Schoevers, het resultaat van een ietwat atypische casus. Het betrof een IOAW15-gerechtigde die twee keer gedurende zes maanden werkzaamheden had verricht bij de gemeente Amsterdam, op basis van overeenkomsten met de titel ‘Plaatsingsovereenkomst Participatieplaatsen in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB)’. Dergelijke participatieplaatsen zijn aan te merken als re-integratievoorzieningen als bedoeld in artikel 10a van de Participatiewet, en strekken ertoe uitkeringsgerechtigden in de gelegenheid te stellen werkzaamheden te verrichten met behoud van de uitkering die zij ontvangen. De betrokkene had meermaals te kennen gegeven graag bij de gemeente in dienst te treden, echter zonder resultaat. Op enig moment stelt zij zich op het standpunt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, en maakt zij uit dien hoofde aanspraak op (het bij de door haar geclaimde functie passende) loon.
De gemeente werd zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in het gelijk gesteld: de overeenkomst kon niet worden gekwalificeerdals een arbeidsovereenkomst. Voor dit oordeel achtte het hof onder meer van belang dat uit de wetsgeschiedenis van de Wet Werk en Bijstand (WWB) – de voorloper van de Participatiewet – ondubbelzinnig valt af te leiden dat de wetgever niet heeft bedoeld om een participatieplaats als een arbeidsovereenkomst aan te merken. Participatieplaatsen zijn immers gericht op de arbeidsinschakeling van de betrokkene. Voorts overwoog het hof dat ook niet kon worden geconcludeerd dat partijen de bedoeling hadden om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. In ieder geval stond voor het hof vast dat dit niet de bedoeling van de gemeente is geweest, mede nu in de plaatsingsovereenkomsten was opgenomen dat de betrokkene als werkzoekende ingeschreven zou blijven, en dat de overeenkomsten zouden worden beëindigd wanneer zij regulier werk zou aanvaarden. Daarnaast werd betwist dat de betrokkene dezelfde arbeid als de andere werknemers bij de gemeente had verricht, en konden de IOAW-uitkering en de op grond van de Participatiewet (dan wel WWB) verstrekte stimuleringspremies naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als loon in de zin van artikel 7:610 BW.
In cassatie klaagde de uitkeringsgerechtigde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Het cassatiemiddel richtte zich onder meer op de wijze waarop het hof in die beoordeling met de partijbedoeling was omgesprongen, de uitleg van het element loon, en de verhouding van artikel 7:610 BW ten opzichte van artikel 10a Participatiewet.16 Het cassatiemiddel leidde in juli 2020 tot de zeer belangwekkende conclusie van A-G De Bock, waarin zij uitvoerig stilstond bij de problematiek rondom de kwalificatievraag, en waarin zij onder meer pleitte voor een nieuw gezagscriterium, een herijking van Groen/Schoevers en voor een afscheid van de holistische benadering. Waar de conclusie van De Bock strekte tot vernietiging van het arrest van het hof, werd het cassatieberoep door de Hoge Raad verworpen.17 Wel heeft de Hoge Raad in het arrest een aantal rechtsoverwegingen gewijd aan de wijze waarop moet worden beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 BW. Zo werd in het arrest onder meer duidelijk dat de kwalificatie van de overeenkomst moet worden onderscheiden van de(voorafgaande) uitleg daarvan. Voorts overwoog de Hoge Raad dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst, niet ter zake doet of partijen de bedoeling hadden om een arbeidsovereenkomst te sluiten.18 Van belang is enkel of de inhoud van de overeenkomst voldoetaan de criteria van artikel 7:610 BW.
In de hiernavolgende paragrafen volgt zoals aangekondigd een thematische bespreking van (de ontwikkeling van) het huidige toetsingskader, waarbij achtereenvolgens wordt stilgestaan bij de tweefasentoets (paragraaf 5.3), de verhouding tussen de partijbedoeling en de feitelijke uitvoering (paragraaf 5.4), de maatschappelijke positie van partijen (paragraaf 5.5.) en tot slot de holistische benadering (paragraaf 5.6)