Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/5.1
5.1 Inleiding
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583393:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De focus ligt op arresten gewezen tussen 1997 en 2020. Na Groen/Schoevers is de kwalificatievraag nog in 25 civielrechtelijke arresten van de Hoge Raad aan bod gekomen. In 7 van die arresten heeft de Hoge Raad zich uitdrukkelijk uitgelaten over de bij art. 7:610 BW te hanteren toets: 1. HR 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8186 (ABN/Malhi); 2. HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9444 (Van der Male/Den Hoedt); 3. HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2651 (Diosynth/Groot); 4. HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9722 (UvA/Beurspromovendi); 5. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1487 (Van Houdts/BBO); 6. HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6231 (Thuiszorg Rotterdam/PGGM); 7. HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019 (Logidex).
Zoals in het vorige hoofdstuk uiteen is gezet, is de uitleg van het wettelijk kader inzake de kwalificatievraag voor een groot deel aan de rechtspraak overgelaten. Dit geldt niet alleen voor de uitleg van de afzonderlijke elementen van de drie behandelde overeenkomsten, maar ook voor de beantwoording van de kwalificatievraag in algemene zin. In de literatuur wordt artikel 7:610 BW veelal in één adem genoemd met het arrest Groen/Schoevers uit 1997, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat bij de beantwoording van de kwalificatievraag acht dient te worden geslagen op hetgeen partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen hebben gehad, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij vervolgens uitvoering en aldus inhoud aan hun rechtsverhouding hebben gegeven. In 2020 heeft de Hoge Raad de rechtsregel uit Groen/Schoevers in het arrest X/Gemeente Amsterdam nader verduidelijkt, onder meer door de introductie van de zogenoemde ‘tweefasentoets’. Tevens is met dit arrest duidelijk geworden dat bij de beantwoording van de kwalificatievraag niet van belang is of partijen voor ogen hadden een arbeidsovereenkomst te sluiten.
In dit hoofdstuk wordt uiteengezet op welke wijze het voor artikel 7:610 BW geldende toetsingskader in de rechtspraak van de Hoge Raad tot ontwikkeling is gekomen. Daartoe wordt in paragraaf 5.2 aangevangen met een bespreking van Groen/Schoevers en X/Gemeente Amsterdam. Hierna volgt een thematische bespreking van de materie, waarbij eveneens aandacht zal toekomen aan tussenliggende kwalificatiearresten van de Hoge Raad, en de wijze waarop deze arresten in de literatuur zijn uitgelegd.1 In paragraaf 5.3 komt de tweefasentoets uit X/Gemeente Amsterdam aan bod, waarna in paragraaf 5.4 wordt stilgestaan bij de verhouding tussen de partijbedoeling en de feitelijke uitvoering van de overeenkomst. In paragraaf 5.5 komt de rol van de maatschappelijke positie van partijen aan bod, gevolgd door een bespreking van de holistische benadering in paragraaf 5.6. In de slotbeschouwing in paragraaf 5.7 wordt aan de hand van hetgeen in de voorgaande paragrafen de revue is gepasseerd, een antwoord geformuleerd op de vierde deelvraag in dit onderzoek: Op welke wijze dient de kwalificatievraag volgens de Hoge Raad te worden beantwoord, en op welke wijze komen de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie daarin tot uitdrukking?