Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.3:3.3 Aanscherping referte-eisen WW in 1995: samenvoeging weken- en jareneis
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.3
3.3 Aanscherping referte-eisen WW in 1995: samenvoeging weken- en jareneis
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258876:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Per 1 maart 1995 werd de referte-eis voor het eerst ingezet als instrument om de toegang tot de WW te beperken.1 De noodzaak tot versmalling van de poort tot de WW werd door het kabinet gevoeld door de stijging van het beroep op de WW. De eerste tekenen van economisch herstel dienden zich overigens alweer aan, maar het kabinet vond het toch van belang om de toeloop tot de WW niet te laten groeien.2 Bij een groter beroep op de WW zouden waarschijnlijk de WW-premies stijgen; dit zou volgens het kabinet leiden tot hogere loonkosten. Hoger loonkosten hebben een negatief effect op de werkgelegenheid met een stijging van het beroep op de WW tot gevolg. Een dergelijk negatieve spiraal moest voorkomen worden door op een andere manier de stijging van de collectieve lasten door de WW tegen te gaan.3 Er kwam daarom een nieuwe referte-eis dat bestond uit een samenvoeging van de wekeneis en de jareneis als toetredingsvoorwaarde voor het recht op de loongerelateerde WW-uitkering. Daarnaast werd de referteperiode verkort van 52 weken naar 39 weken, waarbij de eis van het aantal gewerkte weken van 26 is gehandhaafd. De 3-uit-5-jareneis is gewijzigd naar een 4-uit-5-jareneis.4 De overige wijzigingen hadden betrekking op de duur van de uitkering en worden in hoofdstuk 2 behandeld. Het betreft de verlenging van de vervolguitkering voor werklozen jonger dan 57,5 jaar met een jaar (zie paragraaf 2.5.2) en de invoering van de kortdurende uitkering van zes maanden ter hoogte van 70 procent van het voor de werknemer geldende wettelijke minimumloon voor werklozen die alleen aan de wekeneis voldeden. Die werklozen zouden dan niet gelijk op de bijstand zijn aangewezen (zie paragraaf 2.5).
Er zijn verschillende manieren mogelijk om de instroom tot de WW te beperken. Het aanscherpen van de weken- en jareneis is daartoe een mogelijkheid. Het kabinet koos in deze wetswijziging echter bewust niet voor een verscherping van de wekeneis via een verhoging van het aantal te werken weken, want het bleek dat het aantal van 26 gewerkte weken voor een substantieel instroombeperkend effect naar (minimaal) 35 weken zou moeten worden opgehoogd. Een aantal van 35 te werken weken moest, gezien de mogelijkheid van ‘registratie– en gedragseffecten’, als minimum worden gezien. Uit de MvT blijkt niet duidelijk waarom 35 het minimum was en uit welke registratie- en gedragseffecten dit zou moeten blijken. Een dergelijke ophoging had volgens het kabinet bezwaren voor bedrijfstakken en beroepsgroepen met seizoensgebonden arbeid, zoals de bouwsector. Het zou oneerlijk zijn om een werknemer die jaren achtereen 30 weken per jaar arbeid heeft verricht bij een wekeneis van 35-uit-52 niet in aanmerking voor de WW te laten komen wegens een te kort recent arbeidsverleden. Het kabinet meende namelijk dat in dat geval wel degelijk een duurzame band met het arbeidsproces aanwezig zou zijn.5 Waarom een bepaald wekenaantal als 26 wel voldoende was om te spreken van een duurzame band met het arbeidsproces, maar bijvoorbeeld 25 gewerkte weken niet meer, blijkt ook niet duidelijk uit de MvT. Er werd in ieder geval een grens getrokken bij 26 weken.
Het doel van de verscherpingen was volgens het kabinet om een sterkere band van de werknemer met het arbeidsproces te vragen voor toegang tot de WW en tevens te vermijden dat de WW-premies te veel zouden stijgen. De voorheen geldende referte-eisen van de 26-uit-52-wekeneis en de 3-uit-5-jareneis zouden slechts een heel losse band met het arbeidsproces verlangen volgens het kabinet. In de afweging welke groepen werknemers dan wel toegang tot de (soms langdurige) loongerelateerde WW-uitkering moesten krijgen, werd de nadruk gelegd op de duur van het arbeidsverleden door een aanscherping van de jareneis naar 4 uit 5 en een verkorting van de referteperiode van 52 naar 39 weken. Daarnaast werden de aangescherpte referte-eisen samengevoegd tot een gecombineerde toetredingsvoorwaarde voor het recht op een loongerelateerde WW-uitkering en de vervolguitkering.6
3.3.1 Gevolgen van de samenvoeging van de weken- en jareneis in 1995 voor bepaalde groepen WW’ers