Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/2.4.3
2.4.3 Bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS375844:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Pb EG L 12 van 16 januari 2001, p. 1 (hierna: de EEX-Verordening).
In dit hoofdstuk komt de behandeling van de erkennings- en tenuitvoerleggingsregeling van de EEX-Verordening niet aan de orde. Hieraan zal in hoofdstuk 3 en 4 uitgebreid aandacht worden besteed.
Voor een uitgebreide behandeling van de bevoegdheidsregeling wordt verwezen naar het artikelsgewijs commentaar in Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering (Kluwer), Verordeningen & Verdragen, Band 1.
Art. 1:10 lid 1 BW luidt als volgt: De woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.
Voor Nederland betekent dit de toepassing van art. 1 tot en met 14 Rv. Uit art. 4 EEX-Vo vloeit voort dat deze bepalingen ondanks het ontbreken van een woonplaats van de verweerder in Nederland niet van toepassing zijn, indien de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid op art. 22 (exclusieve bevoegdheid) of op art. 23 (forumkeuze) baseert. De woonplaatseis geldt ook niet indien de aangezochte rechter zich op grond van art. 24 EEX-Vo (stilzwijgende forumkeuze) bevoegd verklaart (vgl. HvJ EG 13 juli 2000, C-412/98, Jur. 2000, p. 1-5925, NJ 2003, 597 (PV), Group Josi).
Art. 9 lid 1 sub b EEX-Vo. Deze bepaling leidt tot een zgn. forum actoris. Zo kan ingevolge art. 9 de verzekeringnemer ook ervoor kiezen een procedure bij de rechter van de woonplaats van de verzekeraar aanhangig te maken.
Zie P. Vlas, 'EEX-Verordening (Brussel I) vastgesteld', Ondernemingsrecht 2001, p. 95-97. Dat de uitoefening van de commerciƫle activiteiten op de lidstaat van de woonplaats van de consument moet zijn gericht, is behouden gebleven. Vgl. art. 15 lid 1 sub c EEX-Vo en art. 13 sub 3 EEX-Verdrag.
Net als art. 9 lid 1 sub b EEX-Vo leidt art. 16 lid 1 EEX-Vo ook tot eenforum actoris.
Art. 35 lid 1 EEX-Vo. Zie paragraaf 3.11.
Dit is een wijziging ten opzichte van het EEX-Verdrag. Op basis van art. 5 sub 1 EEX-Verdrag kan de werkgever de werknemer tevens oproepen voor de gerechten van de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht. Deze mogelijkheid staat thans slechts aan de werknemer open (vgl. art. 19 sub 2 onder a EEX-Vo).
Zie paragraaf 3.11.
Zie paragraaf 3.11.
Vgl. HvJ EG 9 december 2003, C-116/02, n.n.g., GasserIMISAT, r.o. 49.
Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 30, aant. 1.
De EEX-Verordening1 vervangt in de verhoudingen tussen de lidstaten, met uitzondering van Denemarken, het EEX-Verdrag. De verordening verschilt qua opbouw niet van het EEX-Verdrag. Zij geeft een regeling van zowel de bevoegdheid van de rechter als ook van de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen.2
De EEX-Verordening bevat diverse bevoegdheidsgronden.3 Als hoofdregel van het bevoegdheidssysteem geldt op grond van art. 2 EEX-Vo dat de verweerder met woonplaats in een lidstaat opgeroepen kan worden voor de gerechten van die staat. Ingevolge art. 59 EEX-Vo dient de vraag waar een verweerder woonplaats heeft, beantwoord te worden aan de hand van de lex fori van de aangezochte rechter. Dit heeft tot gevolg dat de Nederlandse rechter bij een natuurlijke persoon als verweerder art. 1:10 BW moet toepassen.4 Is de verweerder een vennootschap of een rechtspersoon, dan bevat de EEX-Verordening een autonome definitie van het begrip 'woonplaats'. Art. 60 EEX-Vo bepaalt dat de vennootschappen en de rechtspersonen hun woonplaats hebben ter plaatse van hun statutaire zetel of van hun hoofdbestuur of van hun hoofdvestiging.
Art. 2 EEX-Vo kent slechts de bevoegdheid toe aan de gerechten van een lidstaat. Indien blijkt dat de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, wordt de bevoegdheid van de rechter in elke lidstaat ingevolge art. 4 EEX-Vo door de regels van het commune internationale privaatrecht geregeld.5
Behalve aan de rechter van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder kent de EEX-Verordening ook rechtsmacht aan de rechter van andere lidstaten toe. Deze bevoegdheid is dan gebaseerd op een bijzondere band tussen de vordering en de bevoegdheid van de rechter.
De alternatieve of bijzondere bevoegdheden zijn opgenomen in art. 5 tot en met art. 7 EEX-Vo. Deze bepalingen zijn slechts van toepassing indien de verweerder woonplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat waarvan de rechters door deze bepalingen worden aangewezen. In art. 5, 6 en 7 wordt de bevoegdheid van de rechter bepaald door de bijzondere band tussen de bevoegde rechter en het voorwerp van het geschil. Zo is bijvoorbeeld ten aanzien van geschillen uit een koopovereenkomst van roerende zaken op basis van art. 5 sub 1 onder b EEX-Vo de rechter van de plaats van levering bevoegd. Krachtens art. 5 sub 3 EEX-Vo is ten aanzien van geschillen uit onrechtmatige daad de rechter bevoegd van de plaats waar de schade-brengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Art. 6 EEX-Vo kent in geval van reconventie of ten aanzien van een vordering tot vrijwaring bevoegdheid toe aan de rechter die over de oorspronkelijke vordering moet oordelen. In art. 7 is een bijzondere regeling voor de kennisneming van een vordering tot beperking van de redersaansprakelijkheid opgenomen.
Naast deze alternatieve bevoegdheidsbepalingen bevat de EEX-Verordening ook autonome bevoegdheidsafdelingen. Is er sprake van een geschil dat onder de werking van de regeling van de autonome bevoegdheden valt, dan kan de aangezochte rechter zijn bevoegdheid alleen op de bepalingen uit deze regelingen baseren.6 Het achterliggende idee bij de opstelling van deze bepalingen is de bescherming van de zwakkere partij. In Afdeling 3 wordt een regeling gegeven van de bevoegdheid van de rechter in verzekeringszaken. In deze afdeling worden de verzekeringnemer, de verzekerde en de begunstigde als de zwakkere partij beschouwd. De bescherming blijkt uit het feit dat zij altijd bij hun natuurlijke rechter, dat wil zeggen de rechter van hun woonplaats, een procedure aanhangig kunnen maken.7 In Afdeling 4 wordt een regeling gegeven van de bevoegdheid in consumentenzaken. De EEX-Verordening hanteert een eigen begrip 'consumentenovereenkomst' (art. 15 ). Dit betekent dat niet alle consumentenzaken onder de werking van Afdeling 3 vallen. Ten opzichte van het EEX-Verdrag is het toepassingsbereik van deze afdeling verruimd. Onder de werking van de EEX-Verordening wordt niet meer vereist dat de sluiting van de overeenkomst vooraf is gegaan door een bijzonder voorstel of reclame van de bedrijfs- of beroepsmatig optredende partij en dat de consument de voor de sluiting van de overeenkomst noodzakelijke handelingen vanuit de staat van zijn woonplaats heeft verricht.8 Het beschermende karakter van de in deze afdeling opgenomen bevoegdheidsbepalingen blijkt, onder andere, uit art. 16. Ingevolge deze bepaling kan een consument de bedrijfs- of beroepsmatig optredende wederpartij hetzij voor de rechter van de woonplaats van de wederpartij oproepen, hetzij voor de rechter van zijn eigen woonplaats.9 Het beschermende karakter van de bepalingen inzake verzekeringszaken en inzake consumentenovereenkomsten wordt eveneens benadrukt door de toetsing van de bevoegdheid van de rechter uit de lidstaat van herkomst van de beslissing in de erkennings- en tenuitvoerleggingsfase.10
Een nieuwe regeling is opgenomen in Afdeling 5 van de verordening. Voor de individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomsten wordt de bevoegdheid van de rechter door deze afdeling beheerst. Het beschermende karakter blijkt onder meer uit art. 20 dat bepaalt dat de werknemer met een woonplaats in een lidstaat door zijn werkgever slechts opgeroepen kan worden voor de gerechten van de lidstaat waar de werknemer woonplaats heeft.11Art. 19 biedt de werknemer mogelijkheden. Ingevolge sub 1 kan de werkgever met een woonplaats in een lidstaat voor de gerechten van die staat worden opgeroepen. Ingevolge sub 2 kan de werknemer de werkgever echter ook oproepen voor de gerechten van de lidstaat waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht. Wordt de arbeid niet in eenzelfde land gewoonlijk verricht, dan kan de werknemer de werkgever oproepen voor de rechter van de plaats waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen. In tegenstelling tot Afdelingen 3 en 4 leidt de schending van de bevoegdheidsbepalingen van Afdeling 5 niet er toe dat de erkenning en/of de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing geweigerd zou kunnen worden.12
Naast de regeling van de alternatieve en bijzondere bevoegdheden wordt in art. 22 EEX-Vo de regeling van de exclusieve bevoegdheden gegeven. Een exclusieve bevoegdheid heeft tot gevolg dat geen andere dan de door deze bepaling aangewezen rechter zich bevoegd mag verklaren om van het geschil kennis te nemen.13 De in dit artikel gegeven bevoegdheden gelden ongeacht de woonplaats van de betrokken partijen. Het exclusieve karakter van art. 22 wordt ook benadrukt door art. 35 lid 1 EEX-Vo waarin onder andere is bepaald dat de erkenningsrechter moet toetsen of de rechter van de lidstaat van herkomst van de ten uitvoer te leggen beslissing de bevoegdheidsregeling van art. 22 niet heeft geschonden.14
De EEX-Verordening bevat in art. 23 een autonome regeling voor de forumkeuze. De forumkeuze van art. 23 dient te worden onderscheiden van de zgn. stilzwijgende forumkeuze van art. 24. Een stilzwijgende forumkeuze is niet aan enige formaliteit gebonden. Verschijnt de verweerder voor de rechter waarvoor hij door de wederpartij is opgeroepen zonder de bevoegdheid van deze rechter te betwisten, dan is de aangezochte rechter bevoegd.
Als hoofdregel van art. 23 EEX-Vo geldt dat de door de forumkeuze aangewezen rechter exclusief bevoegd is. Partijen kunnen echter bepalen dat de bij een forumkeuze aangewezen rechter niet exclusief bevoegd is. Een niet exclusieve forumkeuze heeft tot gevolg dat de gekozen rechter bevoegd is en dat de overige op grond van de verordening bevoegde gerechten hun eventuele rechtsmacht behouden. Door de exclusiviteit van de forumkeuze worden de andere bevoegdheidsbepalingen, behalve art. 22, van de verordening opzijgezet. Op de forumkeuze moet door partijen beroep worden gedaan; de aangezochte rechter onderzoekt niet ambtshalve of partijen een forumkeuze zijn overeengekomen.15
Het samenspel van de bevoegdheidsbepalingen van de verordening kan tot gevolg hebben dat meerdere rechters tegelijkertijd bevoegdheid op basis van de verordening kunnen aannemen. Wordt bij meerdere gerechten een procedure aanhangig gemaakt, dan biedt de verordening in art. 27 (litispendentie) en art. 28 (connexiteit) een oplossing. Het resultaat van de toepassing van deze bepalingen is, dat de laatst aangezochte rechter de procedure dient aan te houden totdat de bevoegdheid van de eerst aangezochte rechter vaststaat. Is dat het geval, dan zal de laatst aangezochte rechter zich onbevoegd moeten verklaren. In tegenstelling tot het EEX-Verdrag bevat de verordening een regeling voor de bepaling van het tijdstip van de aanhangigheid. Art. 30 EEX-Vo geeft een autonome definitie van het begrip 'aanhangigheid'. Deze bepaling biedt een compromis tussen de verschillende systemen van aanhangigheid in de diverse lidstaten.16 Een zaak is aanhangig hetzij op het moment dat het gedinginleidende stuk bij de aangezochte rechter is ingediend, mits de eiser ervoor heeft gezorgd dat het stuk ook aan de verweerder is betekend, hetzij op het moment waarop de voor betekening of kennisgeving van stukken verantwoordelijke autoriteit het gedinginleidende stuk heeft ontvangen, mits de eiser dit stuk bij het gerecht heeft ingediend.