Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/2.4.4
2.4.4 Voorlopige en bewarende maatregelen
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS379467:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 17 november 1998, C-391/95, Jur. 1998, p. I-7091, NJ 1999, 339 (PV).
Thans is nog onzeker of art. 31 EEX-Vo bevoegdheidscheppend is indien de bodemrechter op basis van art. 22 EEX-Vo exclusief bevoegd is. Door de Hoge Raad zijn op 2 maart 2001 (NJ 2003, 240 (PV), Van der Plas IGuis) aan het HvJ EG hierover prejudiciële vragen gesteld. Deze zaak is echter van de rol van het Hof geschrapt (Pb EG C 289 van 13 oktober 2001, p. 21).
Het vereiste van het bestaan van een reële band en de uitwerking daarvan voor een incasso kort geding gelden niet indien de aangezochte rechter zijn bevoegdheid op art. 2 tot en met 23 EEX-Vo baseert. In het Van Uden-arrest werd aangegeven dat ook de stilzwijgende forumkeuze voldoende is voor het vestigen van de bevoegdheid van de rechter, zonder nadere vereisten. In het Mietzarrest (HvJ EG 27 april 1999, C-99/96, Jur. 1999, p. 1-2277, NJ 2001, 90 (PV)) is het HvJ EG hierop echter teruggekomen.
Art. 31 EEX-Vo bepaalt dat de in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige en bewarende maatregelen bij de gerechten van die lidstaat aangevraagd kunnen worden, ook al is de rechter van een andere lidstaat bevoegd om van het bodemgeschil kennis te nemen. Onder de werking van art. 24 EEX-Verdrag, dat gelijk is aan art. 31 EEX-Vo, is de vraag gerezen of het voor de toepassing van deze bepaling vereist is dat de verweerder een woonplaats in een verdragsstaat heeft. Uit het Van Uden-arrest1, welk arrest ook onder de EEX-Verordening zijn betekenis behoudt, blijkt dat art. 24 EEX-Verdrag een zelfstandige bevoegdheidsbepaling is die naast de overige bepalingen een aanvullende functie heeft. Kan de tot het treffen van voorlopige maatregelen aangezochte rechter zijn bevoegdheid niet op de bepalingen van het EEX-Verdrag baseren, dan kan hij zich alsnog op basis van art. 24 EEX-Verdrag bevoegd verklaren.2 Wel dient er een reële band tussen de territoriale bevoegdheid van de aangezochte rechter en het voorwerp van de te treffen maatregel te bestaan. Uit het feit dat art. 24 EEX-Verdrag een zelfstandige bevoegdheidsgrond oplevert dat een eigen bestaan naast de overige bevoegdheidsbepalingen heeft, kan worden geconcludeerd dat voor deze bepaling geen woonplaatseis geldt.
De vraag of een te treffen maatregel van voorlopige dan wel bewarende aard is, dient aan de hand van het interne recht van de aangezochte rechter te worden beantwoord.3 Ingevolge het Van Uden-arrest dient ook het Nederlandse incasso kort geding als een procedure tot het verkrijgen van een voorlopige maatregel te worden aangemerkt. In dit arrest heeft het HvJ EG wel het vereiste van de reële band dat voor het vestigen van de bevoegdheid op basis van art. 24 EEX-Verdrag geldt, nader uitgewerkt. Een incasso kort geding valt niet onder deze bepaling, tenzij in de procedure gegarandeerd wordt dat het toegewezen bedrag terugbetaald wordt wanneer de eiser in de bodemprocedure in het ongelijk wordt gesteld. Tevens mag de gevorderde maatregel slechts betrekking hebben op de vermogensbestanddelen die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de aangezochte rechter bevinden of zullen bevinden.4