Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/10.3
10.3 Kunnen beschermingsprefs buiten de registratiedatum worden gehouden?
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS343415:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Veelal is in de doelomschrijving van de stichting bepaald dat vervreemding van de prefs (anders dan aan de vennootschap zelf) buiten het doel valt, of dat de stichting de prefs slechts na verkregen goedkeuring van de raad van commissarissen van de vennootschap mag vervreemden. Zie paragraaf 9.2.3 onder b.
In gelijke zin Van Solinge, Registratiedatum voor beschermingsprefs, WPNR 6872 (2011), p. 77 e.v. en De Jong, Beschermingsprefs en de registratiedatum revisited, Ondernemingsrecht 2012/9, Zie ook mijn eerdere opstel Timmermans, Registratiedatum: Preferente beschermingsaandelen niet effectief?, Ondernemingsrecht 2011/92.
Dortmond, Beschermingsprefs en de registratiedatum, Ondernemingsrecht 2011/120. In gelijke zin Handboek 2013/212.3.
Zie ook mijn naschrift bij de reactie van Dortmond, ‘Beschermingsprefs en de registratiedatum’, Ondernemingsrecht 2011/121.
Zodra de vennootschap de beschermingsprefs aan de stichting continuïteit heeft uitgegeven, zal de stichting als houder van de beschermingsprefs worden ingeschreven in het register van aandeelhouders van de vennootschap. Zij zal daarmee voor de vennootschap een bekende zijn. De stichting continuïteit heeft geen belang bij een vrije verhandelbaarheid van de beschermingsprefs; zij zal de beschermingsprefs veelal aanhouden totdat het gevaar weer geweken is.1
Doordat de wetgever geen gebruik heeft gemaakt van de uitzondering die de Richtlijn aandeelhoudersrechten biedt, kunnen beschermingsprefs niet buiten de registratiedatum gehouden worden.2 Dortmond stelt dat ondanks het feit dat de wetgever de algemene vrijstelling uit de Richtlijn aandeelhoudersrechten niet in de wet heeft opgenomen, een vrijstelling voor beschermingsprefs die in de periode tussen de registratiedatum voor de genoteerde aandelen en de algemene vergadering worden genomen mogelijk zou moeten zijn.3 Hij baseert zich daarbij op het feit dat het eerste gedeelte van art. 2:119 lid 1 BW – dat voorziet in een regeling op grond waarvan het bestuur van een nv waarvan de aandelen niet in een notering zijn opgenomen door de algemene vergadering kan worden gemachtigd om een registratiedatum op te nemen – gelijkluidend is aan de regeling voor beursgenoteerde nv’s, zij het dat bij de laatste regeling de vereiste machtiging ontbreekt. Nu die regeling gelijkluidend is en voor wat betreft de eerste regeling een vrijstelling van de registratiedatum gegeven kan worden voor in het register van aandeelhouders opgenomen aandelen van een soort, zou die vrijstelling ook van toepassing moeten zijn op de gelijkluidende regeling voor beursgenoteerde vennootschappen, aldus Dortmond.
Uit de woorden van de minister blijkt dat Nederland de vrijstelling niet heeft overgenomen, omdat daarvan alleen gebruikgemaakt zou kunnen worden indien de beursgenoteerde vennootschap over de gegevens van al haar aandeelhouders kan beschikken en deze situatie niet overeenkomt met de Nederlandse praktijk.4 Kan van de vrijstelling slechts gebruikgemaakt worden indien de beursgenoteerde vennootschap de identiteit van al haar aandeelhouders kan achterhalen? Ik zou menen dat van deze vrijstelling ook gebruikgemaakt kan worden indien de vennootschap niet over de gegevens van al haar aandeelhouders kan beschikken.5 Voor de genoteerde aandelen dient zij wel een registratiedatum vast te stellen en voor de niet-genoteerde aandelen waarvan de houders in het register van aandeelhouders zijn opgenomen hoeft zij dat niet te doen. Als dat niet zo zou zijn, dan zou de vrijstelling weinig toegevoegde waarde hebben. In Nederland en voor zover mij thans bekend ook in veel andere Europese landen kunnen beursgenoteerde vennootschappen niet de identiteit van al hun aandeelhouders uit een register van aandeelhouders halen.
Een soortgelijke vrijstelling geldt voor de oproeping tot een algemene vergadering. De hoofdregel is dat de oproeping voor de algemene vergadering moet geschieden op een wijze die snelle toegang tot de oproeping op niet-discriminerende basis garandeert. Art. 5 lid 2 van de Richtlijn aandeelhoudersrechten bepaalt dat de hoofdregel niet hoeft te worden toegepast op vennootschappen die de namen en adressen van hun aandeelhouders uit een bestaand register van aandeelhouders kunnen halen. Blijkens de minister maakt deze uitzondering het mogelijk om de wijze van oproeping neergelegd in de leden 3 en 4 van art. 2:113 BW te handhaven naast de hoofdregel.6 Om van deze uitzondering gebruik te kunnen maken, is aldus niet vereist dat de vennootschap de identiteit van al haar aandeelhouders kan vaststellen. Waarom zou het hier geen vereiste zijn en voor art. 7 van de richtlijn wel? Ook hier kan de vennootschap differentiëren tussen houders van aandelen op naam waarvan de identiteit bekend is en houders van genoteerde aandelen waarvan de identiteit bij de vennootschap onbekend is.
Nu de vrijstelling die de Richtlijn aandeelhoudersrechten biedt in mijn optiek beursgenoteerde vennootschappen de mogelijkheid geeft om te differentiëren tussen verschillende aandelen en de minister met zo veel woorden heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van deze vrijstelling, is het naar mijn idee niet mogelijk om beschermingsprefs die na de registratiedatum worden uitgegeven buiten de registratiedatum te houden. Uit de woorden van de minister blijkt ook dat op aandelen die na de registratiedatum worden uitgegeven geen stem kan worden uitgebracht tijdens de algemene vergadering.7
Het gevolg van dit alles is dat op beschermingsprefs die ná de registratiedatum en vóór de algemene vergadering zijn uitgegeven geen stemrecht kan worden uitge oefend. Op de gevolgen daarvan voor beschermingsprefs in oorlogstijd, ga ik in de volgende paragrafen in.