Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/8.4.3
8.4.3 Twijfel aan de besluitvormingsprocedure; HBG
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196988:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 4 juli 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2476 (HBG). Uit r.o. 3.10-3.11 blijkt dat de wijze van tot stand komen en de inhoud elk zelfstandig een gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid opleverden. De casus is weergegeven in nt. 93 bij 4.8. HBG besloot met Ballast Nedam te gaan samenwerken. Dat besluit impliceerde dat ze niet inging op een bod van Boskalis op haar dochter HAM. De hoofdlijnen van de samenwerkingsovereenkomst waren vastgelegd in een Memorandum of Understanding.
OK 4 juli 2001 (HBG), r.o. 3.5.
OK 4 juli 2001 (HBG), r.o. 3.6-3.10 en 3.21.
OK 4 juli 2001 (HBG), r.o 3.6. Op die afwijking van de standaard hoeft een contractspartner mijns inziens niet verdacht te zijn. Als het (subjectieve) gedrag van de rechtspersoon niet strookt met een objectieve norm, kan deze zich mijns inziens dan ook niet ter rechtvaardiging beroepen op zijn afwijkende gewoonte.
Art. 2:107a BW is pas na de beschikking in HBG in werking getreden op 1 oktober 2004 (Stb. 2004, 370, Kamerstukken 28179; gewijzigd Kamerstukken 31877, Stb. 2010, 250, 1 juli 2010). De beoogde samenwerking met Ballast zou ook niet leiden tot wijziging van het ondernemingsprofiel of de strategie van HBG (OK 4 juli 2001, r.o. 3.14).
In de tweede fase: HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1486, ARO 2003/38 (HBG). Van de eerste fase beschikking van de Ondernemingskamer is geen cassatie ingesteld. Zie over de casus HBG en de commentaren betreffende corporate governance, die de beschikkingen hebben uitgelokt, uitvoerig Overkleeft 2017, 5.4.4.
[289] In het geval van HBG gaf zowel de manier waarop het besluit tot stand kwam (het formele aspect) als de inhoud van het besluit (het materiële aspect) aanleiding om aan een juist beleid te twijfelen.1 Net als bij ABN Amro, behoorde de besluitvorming van HBG tot de bevoegdheid van het bestuur, vergde het besluit in beginsel geen instemming of goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders en was het conform die bevoegdheidsverdeling tot stand gekomen.2 De Ondernemingskamer achtte de besluitvormingsprocedure van HBG – de formele kant – gebrekkig, omdat het bestuur en de raad van commissarissen de algemene vergadering van aandeelhouders onvoldoende hadden betrokken in de besluitvorming en onvoldoende inzicht hadden gegeven in de beweegredenen voor het besluit en omdat de betrokken belangen, waaronder die van de aandeelhouders, in de besluitvorming onvoldoende kenbaar en toetsbaar waren meegewogen.3 Daarbij speelden de volgende omstandigheden een rol. HBG placht over strategische beleidsbeslissingen, uitvoeriger dan algemeen gebruikelijk was, te overleggen met haar aandeelhouders.4 Ze had, anders dan was voorgespiegeld, aan de algemene vergadering onvoldoende gelegenheid geboden tot gedachtewisseling over het bod van Boskalis en de voorkeur van bestuur en commissarissen voor Ballast Nedam. Daardoor bleef deelname van de aandeelhouders aan de meningsvorming onder de maat. Een meerderheid van de aandeelhouders was het niet eens met de keuze voor Ballast Nedam.
Een discussie naar aanleiding van artikel 2:107a BW, zoals die later zou worden gevoerd in de zaak ABN Amro, was in de zaak HBG niet aan de orde.5 De Hoge Raad oordeelde, anders dan de Ondernemingskamer, dat HBG geen verplichting had tot voorafgaande consultatie van de algemene vergadering van aandeelhouders over het bod van Boskalis, noch over het besluit tot samenwerking met Ballast Nedam.6