Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/6.5.3
6.5.3 Het collegialiteitsbeginsel
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631737:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman (2009), p. 10.
Ik ga hier voorbij aan de mogelijkheid dat onder omstandigheden ook sprake zou kunnen zijn van aansprakelijkheid in groepsverband (art. 6:166 BW). Vgl. Rb Overijssel 30 december 2020, JOR 2021/59 m.nt. Bartman (Tapijtwereld). Zie ook De Groot (2021), nr. I.C.3.c. Bij aansprakelijkheid op deze grond geldt overigens de ernstig verwijt-maatstaf als het gaat om een (quasi-)bestuurder die in die hoedanigheid handelde. Vgl. HR 2 maart 2007, JOR 2007/137 m.nt. Olden (Holding Nutsbedrijf Westland/Schieke c.s.). Zie voor het vervolg Hof Amsterdam 17 november 2009, JOR 2010/89 m.nt. Olden (Holding Nutsbedrijf Westland/Schieke c.s.). Olden wijst er in zijn noot bij laatstgenoemde uitspraak op dat de hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW iets heel anders is dan de collectieve aansprakelijkheid van art. 2:9 BW. Het enkele feit dat men deel uitmaakt van het bestuur leidt volgens hem niet tot groepsaansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW. De kans op het toebrengen van schade behoort een bestuurder er immers in de regel niet van te weerhouden om in het bestuur zitting te nemen, aldus Olden.
Het collegialiteitsbeginsel kwam aan de orde in par. 4.8. Het door Timmerman1 als beginsel aangemerkte uitgangspunt van collegialiteit is alleen relevant als sprake is van een meerhoofdig bestuur. Los van het feit dat het als een gedrags- of fatsoensnorm kan worden aangemerkt, is verplichte collegialiteit juridisch gezien de basis voor de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het bestuur van de rechtspersoon, en daaraan gekoppeld het uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid (art. 2:9 lid 2 BW; art. 2:14 lid 4 BWC). Het ontbreken van collegialiteit kan in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid worden gezien als een wettelijk vermoeden van schuld, met daaraan gekoppeld disculpatiemogelijkheden voor individuele bestuurders. Als collegialiteit de norm is voor een meerhoofdig formeel bestuur als het gaat om het vaststellen en uitvoeren van het beleid, en dus sprake is van een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarom zou dit uitgangspunt dan niet gelden voor gevallen waarin het formele bestuur die verantwoordelijkheid met anderen deelt (denk aan het ExCo) of waarin twee of meer personen zich gezamenlijk als feitelijke bestuurders gedragen (denk aan zaakwaarneming). Het collegialiteitsbeginsel speelt overigens geen rol als het gaat om een jegens een derde gepleegde onrechtmatige daad van een formele bestuurder of een quasi-bestuurder. In een dergelijk geval wordt alleen het doen en nalaten van de individuele bestuurder beoordeeld, en is geen sprake van hoofdelijkheid.
Ook in het geval van een titulaire quasi-bestuurder (denk aan de bedrijfsleider) gaat het in de kern om een (overeengekomen) gedeelde verantwoordelijkheid voor de uitoefening van de bestuurstaak. Dat geldt evenzeer wanneer het gaat om een formele schaduwbestuurder te goeder trouw: de principaal spreekt met het formele (trust)bestuur af hoe inhoud en uitvoering aan de bestuurstaak zal worden gegeven. De bestuurstaak wordt weliswaar feitelijk door het formele bestuur uitgevoerd, maar ook hier gaat het om een gedeelde verantwoordelijkheid: de formele bestuurder en de formele schaduwbestuurder hebben dit gezamenlijk besloten. Een wijziging van die afspraken vergt vervolgens ‘collegiaal’ overleg en gezamenlijke besluitvorming.
De feitelijke bestuurder niet te goeder trouw gaat eigenmachtig op de stoel van het bestuur zitten en kan daarbij dat bestuur volledig negeren of opzij zetten. Dat kan worden aangemerkt als een schending ‘bij voorbaat’ van het uitgangspunt dat bij een meerhoofdig bestuur, collegiaal besturen de norm behoort te zijn. Van de formele schaduwbestuurder niet te goeder trouw en de formele bestuurder (stroman, katvanger) zou kunnen worden gezegd dat die in collegialiteit de wijze van uitoefening van de bestuurstaak hebben vastgesteld dan wel dat de formele bestuurder op de een of andere wijze tot het verlenen van zijn medewerking is bewogen of gedwongen, wat dan als een schending van het collegialiteitsbeginsel kan worden aangemerkt. Dat de rechtspersoon wordt misbruikt voor criminele activiteiten maakt niet dat het normenkader dat geldt voor bestuurders niet van toepassing zou zijn. Integendeel zelfs. In alle gevallen kan – uiteraard – sprake zijn van een schending van meerdere normen, civielrechtelijk en/of strafrechtelijk en/of fiscaalrechtelijk. Per aan de rechter voorliggend geval zal moeten worden bekeken welke betekenis dan aan die schendingen toekomt en of die relevant zijn voor bijvoorbeeld de vraag of de betrokken persoon aansprakelijk is en of sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid.2
Concluderend: in alle gevallen waarin sprake is van een meerhoofdig bestuur, of dat nu een combinatie van formele en quasi-bestuurders betreft of een combinatie van alleen twee of meer quasi-bestuurders, dient het collegialiteitsbeginsel het uitgangspunt te zijn.