Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/18.4
18.4 Twijfels over de (kosten)efficiëntie van de publicatieverplichtingen nopen tot voorzichtigheid bij uitbreiding van die verplichtingen
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS574349:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Afgezien van deze is ook het opwerpen van een tweetal vragen denkbaar. Namelijk of in plaats van het opleggen van periodieke publicatieverplichtingen niet zou moeten worden geopteerd voor het opleggen van de verplichting aan beursvennootschappen om op continue basis informatie te verstrekken. Een ander vraag is hoe het opleggen van publicatieverplichtingen zich verhoudt tot de (te grote) gerichtheid van investeerders en beursvennootschappen op de korte termijn. Ik laat bespreking van deze vragen rusten. Hierover, vanuit uiteenlopende gezichtspunten, J. Fuller/Jensen (2002), Millon (2002) en Prohs (2002).
Ik ben derhalve niet op voorhand enthousiast over de in juli 2009 gepubliceerde voorstellen van de IASB over 'IFRS for SME' (te vinden op www.iasb.org). Hierover Van den Ende (2009) en — kritisch — Van der Zanden (2009). Laatstgenoemde merkt, mijn inziens terecht, op (p. 110) dat alvorens het jaarrekeningenrecht verdergaand te internationaliseren het wenselijk zou zijn een analyse te maken van kosten en baten van deze keuze.
De analyse van de economische onderbouwing van de doelstellingen van de publicatieverplichtingen leidt, ten slotte, tot enkele beleidsmatige en meer toekomstgerichte conclusies.1 Eén daarvan is dat, nu twijfels bestaan over de kostenefficiëntie van publicatieverplichtingen die zijn gericht op het verbeteren van de adequate werking van de effectenmarkt, in nog mindere mate gronden zullen bestaan voor het opleggen van publicatieverplichtingen met dat oogmerk aan vennootschappen waarvan géén effecten zijn toegelaten tot de handel op een effectenmarkt. Of, meer concreet, het opleggen van IFRS aan vennootschappen die kunnen worden gerekend tot het midden- en kleinbedrijf te rekenen vennootschappen wenselijk is, kan derhalve sterk worden betwijfeld. Dat geldt eveneens voor de ontwikkeling van verslaggevingvoorschriften voor dergelijke vennootschappen die zijn geïnspireerd op de IFRS.2
Mijn laatste conclusie is dat, nu bij het opleggen van publicatieverplichtingen met het oog op het tegengaan van "agency-problemen" sneller sprake zal zijn van kosteneffectieve regelgeving, er reden kan zijn om te bezien of de thans geldende publicatieverplichtingen die daarop zijn gericht wel afdoende zijn. In het verlengde daarvan moeten initiatieven om dergelijke publicatieverplichtingen in te perken, naar mijn mening kritisch worden beoordeeld. In dit licht noem ik — nogmaals — mijn twijfels of de inperking van de reikwijdte van de Nederlandse corporate governance code, waardoor deze niet meer toepasselijk is op alle Nederlandse beursvennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot enige effectenbeurs, als een wenselijke ontwikkeling moet worden gezien.