De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/3.4:3.4 De ontbinding van een ‘lege BV’ op grond van artikel 2:185 lid 1 BW
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/3.4
3.4 De ontbinding van een ‘lege BV’ op grond van artikel 2:185 lid 1 BW
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS388750:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nethe 1995, p. 102-104.
Nethe 1995, p. 110.
Nethe 1995, p. 89.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals beschreven in paragraaf 3.2 zijn in artikel 2:185 lid 1 BW twee rechterlijke ontbindingsgronden opgenomen. De rechtbank ontbindt de BV op verzoek van het OM indien zij haar doel, door een gebrek aan baten, niet kan bereiken. De rechter heeft ten aanzien van deze ontbindingsgrond geen discretionaire bevoegdheid. Voor de beoordeling of in een specifiek geval sprake is van het niet kunnen bereiken van het doel door een gebrek aan baten op grond waarvan een BV dient te worden ontbonden, zijn volgens Nethe ook de in de toekomst door de BV te verrichten werkzaamheden relevant. Onder baten in de zin van artikel 2:185 lid 1 BW dient te worden verstaan: de activa die exploitatiemiddelen zijn en de inactieve vennootschap daadwerkelijk in staat kunnen stellen om activiteiten te gaan verrichten.1
Bovendien kan de rechtbank de BV ontbinden wanneer deze haar werkzaamheden tot verwezenlijking van haar doel heeft gestaakt. Daarbij is het niet de vraag of het doel van de BV kan worden bereikt, maar of het doel wordt bereikt door middel van het verrichten van werkzaamheden. Het staken van de werkzaamheden in de zin van artikel 2:185 lid 1 BW dient volgens Nethe niet al te strikt te worden uitgelegd; onder het staken van de werkzaamheden valt ook de situatie waarin de ondernemingsactiviteiten van de BV nagenoeg geheel zijn gestaakt.2 Ten aanzien van deze ontbindingsgrond heeft de rechtbank wel een discretionaire bevoegdheid.
Ingevolge het tweede lid van artikel 2:185 BW kan de rechter alvorens de ontbinding uit te spreken de BV in de gelegenheid stellen binnen een door hem te bepalen termijn het verzuim te herstellen. De tweede ontbindingsgrond ‘wanneer de vennootschap haar werkzaamheden tot verwezenlijking van haar doel heeft gestaakt’ werd toegevoegd aan voormelde artikelen, omdat het voor het OM moeilijk bleek het gebrek aan baten aan te tonen. Deze ontbindingsgrond ziet op slapende vennootschappen: vennootschappen die de werkzaamheden hebben gestaakt. Wanneer het niet de bedoeling is om de activiteiten van de slapende BV weer op te pakken, ontstaat een risico op misbruik van de BV. De lege BV zou immers kunnen worden verkocht voor een bepaald bedrag en vervolgens worden gebruikt voor een activiteit die met haar vroegere werkzaamheden niets te maken heeft. Vóór de afschaffing van de verklaring van geen bezwaar als constitutief vereiste voor de oprichting van een BV kon men met een dergelijke BV-handel het preventieve toezicht door de Minister van Justitie ontwijken, hetgeen misbruik van BV’s bevorderde. Thans is het systeem van preventief toezicht vervangen door een doorlopend controlesysteem, vastgelegd in de Wet controle op rechtspersonen.3
Volgens Nethe wordt met de rechterlijke ontbinding ex artikel 2:185 BW een drietal doelstellingen nagestreefd:
het doen verdwijnen van vennootschappen die geen activiteiten (meer) ontplooien (het geen-bestaansgrond-motief);
het kunnen doorhalen in het handelsregister van vennootschappen waarvan de inschrijving nutteloos is (het opschoningsmotief);
het bestrijden van misbruik van vennootschappen, omdat een inactieve vennootschap voor een nieuwe activiteit wordt gebruikt zonder dat het departement hierop toezicht uitoefent en storting van het minimumkapitaal plaatsvindt (het anti-misbruikmotief).4
Thans wordt in de praktijk door het OM nauwelijks gebruik gemaakt van de ontbindingsgronden opgenomen in artikel 2:185 BW. Sinds de invoering van artikel 2:19a BW is aan artikel 2:185 BW ter bestrijding van lege BV’s ook minder behoefte.5