Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/10.7.7
10.7.7 Reparatoir karakter benadrukken bij bekorting loonsanctie
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS578007:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In § 6.9.3 heb ik ook aandacht geschonken aan de ex tunc-toetsing, die hier wellicht mogelijk is bij het bekortingsverzoek zelf, omdat met later gedane inspanningen vanuit de aard van het bekortingsverzoek geen rekening gehouden hoeft te worden.
Zonder dat daarmee de totale periode van loondoorbetaling onder 104 weken komt, iets wat theoretisch zou kunnen. Het schrappen van deze uitlooptermijn komt neer op het schrappen van artikel 25 lid 14 eerste volzin WIA.
Ter verduidelijking: in de vorige paragraaf ging het om te laat beslissen bij het opleggen van een loonsanctie, in deze paragraaf gaat het om het te laat beslissen op een bekortingsverzoek.
Dit in mindering brengen moet ook cumulatief kunnen. Steeds als het UWV te laat is met een beslissing ex art. 25 lid 13 of een negatieve beslissing ex lid 14 komt die in mindering op de loonsanctietermijn.
De loonsanctie is niet bedoeld als straf op een tekortschieten, maar als prikkel om te werken aan herstel van de fouten. Dit reparatoire karakter volgt uit de wet én is bevestigd in de rechtspraak. Toch zijn er twee situaties die in mijn ogen direct strijdig zijn met dit uitgangspunt. Beide situaties komen aan de orde nadat een loonsanctie is opgelegd en vragen om een correctie. De eerste situatie betreft de hernieuwde uitval in het verlengde loondoorbetalingstijdvak. De CRvB hanteert de strenge eis dat re-integratie-inspanningen niet mogen worden afgesloten als de zieke werknemer op redelijke termijn mogelijk weer belastbaar is. De kans op terugkeer staat niet vast, zodat niet helder is of er iets te repareren valt. Op de werkgever rust geen resultaatsverplichting rond re-integratie en als onduidelijk is of herstel van de tekortkomingen überhaupt mogelijk is, leidt het reparatoire karakter van de loonsanctie en de onderliggende redelijkheid ertoe dat een bekortingsverzoek van de werkgever, dat is ingediend vanwege de hernieuwde uitval, zou moeten worden toegewezen.
De tweede situatie vraagt een aanpassing van de wet. Als de werkgever er in slaagt de loonsanctie te bekorten door alsnog te voldoen aan zijn re-integratieplichten, dan heeft hij voldaan aan wat de wet van hem vraagt. Bij herstel dient de ‘sanctie’ meteen te eindigen, maar toch geeft artikel 25 lid 13 WIA een beslistermijn van drie weken aan het UWV en lid 14 vervolgens bij herstel een uitlooptermijn van zes weken. In het bestuursrecht is een ex-nunc-toetsing gebruikelijk. Dat het UWV ten hoogste drie weken nodig heeft om een besluit te nemen op het bekortingsverzoek past in de bestuursrechtelijke systematiek en zou daarom wellicht nog rechtvaardiging kunnen bieden voor de drie weken waarin de werkgever toch het loon zou moeten blijven betalen.1 Voor de uitlooptermijn van zes weken zie ik geen goede grond en die termijn zou moeten worden afgeschaft.2 Praktisch gezien zou het UWV kunnen werken met voorschotten aan de werknemer tegelijk bij de beslissing op bekorting. Zou dat niet haalbaar zijn dan is te bepalen dat het UWV een schadevergoeding aan de werkgever moet betalen voor het doorbetaalde loon over de periode vanaf de bekortingsbeslissing tot de ingangsdatum van de WIA-uitkering.
Wordt niet gekozen voor de afschaffing van de uitlooptermijn dan is de balans nog op een andere manier te herstellen. Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, kan het UWV ook te laat beslissen op een bekortingsverzoek.3 De termijn van drie weken die er voor staat, kan worden overschreden. Bij een beslissing dát de tekortkoming is hersteld, komt de vertragingsperiode in mindering op de uitlooptermijn. Bij een negatieve beslissing (dus dat de tekortkoming niet is hersteld) is door het te late besluit van het UWV tijd verstreken waarin de werkgever niet heeft gewerkt aan re-integratie, in de veronderstelling de tekortkomingen hersteld te hebben. De vertragingsperiode moet dan toch in mindering komen op de loonsanctietermijn, door die -bij bijvoorbeeld een vertraging van twee weken- niet meer op maximaal 52 weken maar op maximaal 50 weken te stellen.4 Door die correctie worden de verplichtingen van de werkgever verminderd en meer in lijn gebracht met de verplichtingen van het UWV.
Aanbeveling 25
Als de werkgever zijn re-integratietekortkomingen heeft hersteld dan moet de loondoorbetalingsplicht eindigen, in elk geval vanaf het moment dat het UWV zijn bekortingsverzoek toewijst. Door het schrappen van artikel 25 lid 14 eerste volzin WIA verdwijnt de huidige ‘uitlooptermijn’ van zes weken. Wordt hier niet voor gekozen dan moet de vertragingsperiode op de loonsanctietermijn in mindering komen als het UWV te laat is met het negatief beslissen op een bekortingsverzoek. Tevens moet een bekortingsverzoek worden toegewezen als de werknemer in het verlengde tijdvak opnieuw uitvalt en onduidelijk is of hij binnen redelijke termijn weer belastbaar zal zijn.