Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/2.5.b
2.5.b Inhoudelijke toegangsbeoordeling
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS607100:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de indeling van Harteveld 2007, p. 103-104.
Krabbe 1983, p. 171; Harteveld 2007, p. 103; HR 13 juli 2010, NJ 2011/294, m.nt. Mevis.
Krabbe 1983, p. 172; hieraan doet niet af dat de appelrechter een op zichzelf geldige motivering van het vonnis op grond van art. 423 lid 1 Sv mag aanvullen of verbeteren indien hij tot bevestiging besluit, zie Harteveld 2007, p. 104; zie voor twijfel over of dit wel de wens van de wetgever is geweest Van Dorst 2000, p. 48.
In het bijzonder sinds HR 13 juli 2010, NJ 2011/294, m.nt. Mevis, in navolging van Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 30-31; zie daarover Vellinga 2011 en Keulen 2012a, p. 38-39; respectievelijk Harteveld 2007, p. 108-111 en Wiewel 2007, p. 118-122. Zie reeds De Hullu 1989, p. 199 en Groenhuijsen & De Hullu 2002, p. 407-408, en recent de conclusie van A-G Knigge voor HR 17 maart 2015, NJ 2015/176; Keulen 2016, p. 684-685; Robroek 2016, p. 134-136 en 155-161.
Krabbe 1983, p. 177-178; Keulen 2012a, p. 37-38.
Zie Stamhuis 2002, Groenhuijsen & De Hullu 2002 en Stamhuis 2004; en bijvoorbeeld ECRM 9 september 1992 (ontv.), nr. 19028/91 (Nielsen/Denemarken) over beroep tegen juryrechtspraak.
Stamhuis 2002, p. 243-244.
Röttgering 2013a, p. 93-126; Van Dorst 2015, p. 181-189.
Röttgering 2013a, p. 100-105, met verdere verwijzingen.
Röttgering 2013a, p. 127-143.
De Hullu 1989, p. 243; behoudens bijv. bij een miskenning van de wettelijke strafmaat of verbazend hoge strafoplegging, zie Van Dorst 2015, p 309-316; vgl. het empirische onderzoek van Couzijn 2007, p. 305-316.
Zie Stamhuis 2004, p. 431-432. De Wet vormverzuimen heeft deze ontwikkeling deels gecodificeerd door schrapping van een groot aantal formele nietigheden, zie Tjiong 2016b, aant. 4 bij art. 431 Sv.
Keulen 2012a, p. 53-54; noot Keulen onder HR 20 mei 2014, NJ 2014/381; Keulen 2016, p. 686-688.
Röttgering 2013a, p. 107-124.
Vgl. de ontvankelijkheidseis bij het EHRM dat een beroep niet manifestly ill-founded mag zijn (art. 35 lid 3, onderdeel a, EVRM).
Van inhoudelijke toegangsbeoordeling is sprake indien de voorwaarden voor ontvankelijkheid de beroepsrechter in staat stellen te anticiperen op de uitkomst van beroep. Ter invulling van een toegangsbeslissing moet de beroepsrechter vooruitlopen op de beslissing of de bestreden uitspraak in stand kan blijven. Indien de uitspraak moet worden vernietigd, dan moet toegang worden verleend, zo luidt de vuistregel van inhoudelijke toegangsbeoordeling. Is het beroep echter (evident) ongegrond, dan kan toegang worden geweigerd. De vraag rijst dus op welke gronden een beroepsrechter kan of moet overgaan tot vernietiging van een bestreden uitspraak. Het zijn immers deze vernietigingsgronden die bij inhoudelijke toegangsbeoordeling als het ware naar voren worden gehaald en als ontvankelijkheidsvoorwaarden worden toegepast.
Of het in hoger beroep of cassatie tot vernietiging komt, hangt af van de gronden voor vernietiging – in Engelstalige bronnen ook wel aangeduid met standards of review. In het algemeen kunnen vonnissen en arresten lijden aan materiële gebreken (inhoud beslissingen) of formele gebreken (totstandkoming en motivering).1 De precieze vernietigingsgronden verschillen per rechtsmiddel.
De Nederlandse appelrechter behandelt in hoger beroep in feite de strafzaak opnieuw en wordt door de wet niet beperkt in de gronden waarop hij vernietiging kan baseren (art. 423 Sv). Van oudsher bestaat over die gronden evenwel consensus. Ten eerste moet de appelrechter een vonnis vernietigen als hij tot een andere beslissing over de vragen van 348 en 350 Sv komt dan het bestreden vonnis inhoudt.2 Daartoe kunnen zowel juridische als feitelijke vraagstukken opnieuw en intensief beoordeeld, ook aan de hand van eigen feitenonderzoek. Daarnaast kan de appelrechter niet anders dan het vonnis vernietigen als hij een wijziging van de tenlastelegging toestaat, omdat de grondslag voor de beslissingen op de voor- en hoofdvragen dan immers verandert. Voorts mag de appelrechter het bestreden vonnis niet volledig bevestigen als dit niet voldoet aan bepaalde motiveringseisen of in de loop van het geding in eerste aanleg bepaalde vormen zijn verzuimd.3 Formele gebreken mogen sinds de Wet stroomlijnen hoger beroep wellicht worden gerelativeerd, maar de betekenis van die mogelijkheid is nog niet goed te overzien.4 Omdat niet al deze materiële en formele vernietigingsgronden in appel gemakkelijk zijn te controleren, terwijl de appelrechter het onderzoek naar de voor- en hoofdvragen in beginsel toch overdoet, wordt in de praktijk niet zelden standaard vernietigd en opnieuw recht gedaan.5
Veel rechtsmiddelen kennen in vergelijking beperktere gronden voor vernietiging.6 Zo oordelen constitutionele hoven doorgaans enkel over de schending van constitutioneel recht.7 Ook in Nederlandse cassatie zijn de vernietigingsgronden beperkt. De Hoge Raad vernietigt namelijk enkel vanwege (i) verzuim van vormen voor zover de niet-inachtneming daarvan uit- drukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, of (ii) schending van het recht – waaronder verdragen, ongeschreven recht en beleidsregels (art. 79 RO; 431 Sv).8 Daargelaten de netelige vraag hoe de twee vernietigingsgronden zich tot elkaar verhouden,9 staat voorop dat de cassatietoetsing van de inhoud van de bestreden uitspraak is beperkt tot de juridische aspecten daarvan. De gemengde en vooral de zuiver feitelijke oordelen worden in de regel afstandelijk getoetst.10 Het is niet zo dat bijvoorbeeld de strafbeslissing in zijn geheel nauwelijks door de Hoge Raad wordt gecontroleerd, maar omdat bij deze beslissing feitelijke kwesties en beleidsvrijheid domineren, heeft een klacht daarover bij de Hoge Raad niet veel kans van slagen.11 Hierbij sluit aan dat de Hoge Raad zoals opgemerkt geen nieuw feitenonderzoek verricht. Naast beoordeling van materiële fouten kan de Hoge Raad ook toetsen of de bestreden beslissing correct tot stand is gekomen en is gemotiveerd. Sinds omstreeks 1930 heeft de Hoge Raad de controle op vormverzuimen genuanceerd. Een gegronde klacht over een vormverzuim in het geding of de uitspraak leidt niet altijd tot vernietiging als het belang met het oog waarop het voorschrift is gegeven in concreto niet is geschaad.12 De artikelen 81 en vooral 80a RO hebben aan de toepassing van deze belang-correctie een impuls gegeven.13 De controle op motiveringseisen is door de jaren heen juist versterkt. Van meer beslissingen wordt tegenwoordig verwacht dat de feitenrechter deze (aan de hand van bepaalde gezichtspunten) uitgebreider motiveert.14
Bij inhoudelijke toegangsbeoordeling loopt de beroepsrechter op de hiervoor behandelde vernietigingsgronden vooruit, en beoordeelt hij deze gronden reeds ten behoeve van de beslissing over de ontvankelijkheid van het beroep. In plaats van verwerping van het beroep leidt een kansloze klacht dan tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep of enig ander negatief toegangsoordeel. Bij dat toegangsoordeel kunnen aanvullende criteria worden gehanteerd. Zo kan het uitgangspunt ‘ongegrond = niet-ontvankelijk’ worden verzacht door aan beroepen die waarschijnlijk zullen slagen toegang te verlenen, of door zelfs alleen toegang te weigeren als een beroep evident kansloos is.15
In het Nederlandse strafrecht bestaat op het eerste gezicht ruimte voor inhoudelijke toegangsbeoordeling. Niet alleen de artikelen 410a Sv en 80a RO stellen de beroepsrechter daartoe in staat, ook het toegangsvereiste ‘grieven’ of ‘middelen van cassatie’ te formuleren lijkt voor (beperkte) inhoudelijke toegangsbeoordeling geschikt.