Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.3.3.c
6.3.3.c De aandelen waaraan de wet geen stemrecht verbindt (art. 2:24d BW)
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS596519:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hetzelfde geldt voor aandelen waarvan de doelvennootschap of een dochtermaatschappij daarvan de certificaten houdt.
Bijvoorbeeld OK 18 september 2012 (ro. 3.3), ARO 2012/140 (Océ); OK 18 september 2012 (ro. 3.4), ARO 2012/139 (IFCO Systems). Voor de bijzondere uitkoopregeling van art. 2:2359c BW geldt dit ten aanzien van de soort aandeel waar de vordering tot uitkoop opziet (§ 6.5).
Zie OK 12 september 2002, JOR 2002/223 (Intereffekt); OK 12 september 2002, JOR 2002/224 (Weweler), waarin de OK de uitkoper niet-ontvankelijk verklaart, omdat de doelvennootschap eigen aandelen houdt en door de uitkoper niet is gedagvaard.
Zie bijvoorbeeld OK 4 december 2012 (ro. 3.4), ARO 2013/18 (Wavin).
§ 16(2) AktG. Dit geldt ook voor ten aanzien van de aandelen die een derde voor rekening van de doelvennootschap houdt. Hierover Moritz (2004), p. 95-96; Koppensteiner (2004), p. 6.
S. 974(4)(5)(6) CA 2006. De uitkoper kan er echter wel voor kiezen om het bod ook op de door de doelvennootschap gehouden aandelen uit te brengen. De uitkoopprocedure ziet dan ook op deze aandelen. Behalve deze treasury shares tellen aandelen gehouden door associates van de bieder evenmin mee voor de vraag op hoeveel aandelen het bod zag, s. 977(2) CA. De aandelen die een associate gedurende de looptijd van het bod verkrijgt, tellen echter wel mee, s. 979(9)(10) CA 2006. Zie voor het begrip associates s. 988 CA 2006 en uitgebreid Chivers/Shaw (2008), p. 39-40; Palmer (2013), nr. 12.343 e.v.
Art. 513 §1W.Venn (jo. art. 42 Overname-KB). Hierover Verhoest (2008), p. 176-178; Van der Els (2008), p. 340-341.
Evenzo Maeijer onder NJ 1990/173; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/681c; Bulten (2011), p. 98. Anders: Handboek (1992) nr. 41.4; Van Vliet (1999), p. 33-36; Schoonbrood (2002), p. 91-92; Leijten (2003), p. 53-54; Storm (2014), p. 297.
OK 6 april 1989, NJ 1990/173 (Van Beek); OK 25 november 1993, NV 1993, p. 219 (European Property Investment Company).
Stb. 1988, 85. Vgl. Kamerstukken II, 1984-1985, 18 904, nr. 3, p. 7, waarin de wetgever opmerkt, dat ‘het percentage wordt berekend over de aandelen, die niet worden gehouden door de vennootschap zelf haar dochtermaatschappijen. Dit sluit aan bij de artikelen 118, leden 7 en 8, en 187 lid 6’.
Stb. 1988, 517. Kamerstukken I 1987-1988, 19 813, nr. 251, p. 10.
Kamerstukken II 1986-1987, 19 813, nr. 3, p. 21. Hierover ook Van Vliet (1999), p. 35.
Kamerstukken II 2008-2009, 31 058, nr. 7, p. 12. Het tweede lid van art. 2:24d BW maakt geen uitzondering voor de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW. Het is mogelijk dat de doelvennootschap kort voor de procedure is omgezet en de vordering dus ziet op aandelen in een BV. In de praktijk zal het echter niet snel voorkomen dat daarbij ook stemrechtloze aandelen zijn gecreëerd.
Voor de berekening van het kapitaalvereiste tellen aandelen waarvan de wet bepaalt dat daarvoor geen stem kan worden uitgebracht op grond van art. 2:24d lid 1 BW niet mee.
Het betreft met name de aandelen die toebehoren aan de doelvennootschap of een dochtermaatschappij daarvan. De wet bepaalt in art. 2:118 lid 7/228 lid 6 BW dat deze aandelen stemrecht ontberen.1 Dergelijke aandelen komen voor de berekening van het kapitaalvereiste in mindering op het totaal geplaatste kapitaal van de doelvennootschap.2 De uitkoper moet de doelvennootschap wel in de procedure oproepen.3 Zij behoort immers tot de gezamenlijke andere aandeelhouders. Een andere mogelijkheid is dat de doelvennootschap als groepsmaatschappij de vordering mede instelt (§ 7.3.1 sub a). De door haar gehouden aandelen tellen dan evenmin mee in de teller.4 Voor de uitkoopregeling in Duitsland5 en het Verenigd Koninkrijk6 tellen de door de doelvennootschap gehouden aandelen evenmin mee voor de berekening van de toepassingsdrempel. In België worden dergelijke aandelen daarentegen juist bij het belang van de uitkoper opgeteld.7
De aandelen waarvan de wet het stemrecht tijdelijk opschort, tellen mijns inziens wel mee in de berekening. Het gaat bijvoorbeeld om de bepalingen van art. 2:82 lid 4 BW (indien de aandelen in een NV door een statutenwijziging op naam zijn gesteld, geen aandeelhoudersrechten totdat het aandeelbewijs is ingeleverd), art. 2:183 lid 4 BW (na omzetting van een NV in een BV geen aandeelhoudersrechten zolang de aandeelhouders niet in het aandeelhoudersregister zijn ingeschre-ven) en art. 2:196a lid 1 BW (geen aandeelhoudersrechten bij levering van aandelen in een BV zonder erkenning door of betekening aan de vennootschap). Het bepaalde in art. 2:24d lid 1 BW slaat niet op deze bepalingen.8 De OK lijkt in de uitkoopprocedures inzake Van Beek uit 1989 en European Property Investment Company uit 1993 van eenzelfde lezing uit te gaan.9
Steun voor mijn opvatting vind ik in de oorspronkelijke wettekst van de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/201a BW. De laatste zin van het eerste lid luidde destijds:
“…bij de vaststelling welk deel van het geplaatste kapitaal wordt verschaft, (…) het kapitaal verminderd [wordt] met het nominale bedrag van de aandelen die de vennootschap zelf en haar dochtermaatschappijen houden of doen houden.”10
Met de invoering van art. 2:24d BW is deze zinsnede komen te vervallen.11 Een wijziging van de uitkoopregeling is niet beoogd.12
Daarnaast heeft een andere uitleg het onwenselijk gevolg dat een aandeelhouder met feitelijk minder dan 95% van het geplaatste kapitaal een vordering tot uitkoop kan instellen. Ik geef een voorbeeld. Stel dat het geplaatste kapitaal van een NV bestaat uit 100 aandelen. A houdt 93 aandelen. De vennootschap wordt omgezet in een BV. De houders van vijf aandelen hebben zich na de omzetting nog niet gemeld en kunnen zolang zij dit niet doen op grond van art. 2:183 lid 4 BW hun stemrecht niet uitoefenen. Indien art. 2:24d lid 1 BW op deze situatie van toepassing is, tellen de vijf aandelen niet mee voor het kapitaalvereiste. Dat betekent dat A een uitkoopprocedure kan starten tegen de houders van de overige zeven aandelen. Hij verschaft immers 97, 9% (93 van de 95 aandelen) van het geplaatste kapitaal. De facto is dit echter slechts 93% (93 van de 100 aandelen). Een dergelijke situatie acht ik niet gewenst, mede gelet op de bescherming van minderheidsaandeelhouders.
Tevens bestaat de kans dat de OK de uitkoper alsnog niet-ontvankelijk moet verklaren, indien de desbetreffende aandeelhouders zich gedurende de procedure alsnog melden bij de vennootschap. A verschaft dan niet langer minimaal 95% van het geplaatste kapitaal. De discussie over toepassing van art. 2:24d BW speelt ook bij het stemrechtvereiste (§ 6.4.3 sub b).
Tot slot vallen de stemrechtloze aandelen als bedoeld in art. 2:228 lid 4 BW onder het bereik van art. 2:24d lid 1 BW. Om te voorkomen dat hierdoor een aandeelhouder met minder dan 95% van het totaal aantal geplaatste aandelen een vordering tot uitkoop kan instellen, bepaalt art. 2:24d lid 2 BW dat voor toepassing van de algemene uitkoopregeling van art. 2:201a BW deze aandelen wel meetellen (§ 6.4.2 sub b).13