Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/8.6.2
8.6.2 Implicaties voor het rechterlijk bevel en verbod – aparte verjaringsregeling nodig?
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692233:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
PG Boek 3, p. 930 en 931.
HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677, NJ 2018/239(TMG/Staat).
HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA635, NJ 2000/430, m.nt. A.R. Bloembergen (Van Hese/De Schelde); HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2047, NJ 2019/246, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2019/247.
Er kan natuurlijk door verjaring een nieuwe erfdienstbaarheid ontstaan, die ook aan een bevel of verbod in de weg kan staan, maar dat laat ik rusten.
Koopmann 1993, p. 47.
Asser/Sieburgh 6-II 2017/398 en De Jong, Krans & Wissink 2018/307 en Krans & Wissink 2022/307.
Dat geeft echter niet aan wat de eiser wil: hij wil niet dat de gedaagde de erfdienstbaarheid gebruikt, hij wil dat hij niet buiten de erfdienstbaarheid treeft. Naar karakter is dat iets anders en een vordering om iets niet te doen.
Koopmann 1993, p. 47.
PG Boek 3, p. 928.
PG Boek 3, p. 928.
517. Een rechterlijk bevel of verbod heeft betrekking op een rechtsplicht die moet worden nagekomen. Zoals ik hiervoor heb omschreven kan die rechtsplicht vele gedaanten hebben. Een geslaagd beroep op verjaring doorkruist de rechtsvordering van de schuldeiser tot nakoming van de rechtsplicht. Voor de vraag wanneer de rechtsvordering door verjaring tenietgaat, geeft art. 3:296 BW geen eigen regeling voor het bevel en verbod. Bepalend is wanneer de rechtsvordering op grond van de hiervoor besproken (overige) bepalingen van titel 11 van Boek 3 tenietgaat.
518. Omdat het rechterlijk bevel en verbod ook worden bestreken door de algemene verjaringsregeling kan een bevel tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst niet meer worden toegewezen vanaf het moment waarop voldaan is aan de eisen van art. 3:307 BW en een vordering strekkende tot (een bevel tot) herstel van een tekortkoming kan niet meer worden toegewezen vanaf het moment waarop is voldaan aan de eisen van art. 3:311 BW.1 En ook bij een onrechtmatige daad wordt de verjaring van de vordering die strekt tot een rechterlijk bevel of verbod bestreken door de algemene regels van titel 11 van Boek 3. Een vordering die ertoe strekt een bevel te verkrijgen tot beëindiging van een onrechtmatige toestand, verjaart dus in principe 20 jaar (art. 3:306 BW) na de dag volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden (art. 3:314 lid 1 BW). Een bevel tot ontruiming van een terrein of afbraak van een grensoverschrijdend bouwwerk kan dan niet meer worden toegewezen. Opmerking verdient daarbij overigens dat, indien de toestand naderhand wijzigt, ten aanzien van die nieuwe toestand wel weer een nieuwe verjaringstermijn te lopen. In de parlementaire toelichting is het voorbeeld gebruikt van een bouwwerk dat hoger is dan een bestaande erfdienstbaarheid toelaat en dat later nog hoger wordt gebouwd.2
519. Bij vorderingen die ertoe strekken incidentele inbreuken te beëindigen zal in de regel de verjaringsproblematiek niet spelen omdat het kenmerkende aan een incidentele inbreuk is dat deze vanzelf ophoudt. Een inbreuk die zo lang duurt dat de verjaringstermijn relevant wordt, zal te beschouwen moeten zijn als een onrechtmatige toestand. Omdat incidentele inbreuken vanzelf ten einde komen, zal een bevel tot beëindiging van zo’n inbreuk in de regel niet nodig zijn. Daarmee is echter niet gezegd dat er geen verbod tot herhaling kan worden uitgesproken. Ook daarbij zal de verjaringsproblematiek in de regel niet spelen: voor toewijzing van een dergelijk verbod is nodig dat er een reële dreiging van een onrechtmatige daad is. Indien een daarop gebaseerde vordering (dus een dreiging zonder verwezenlijking) zo lang bestaat dat de verjaring in zicht komt, zal moeilijk nog van een reële dreiging kunnen worden gesproken.
520. Uit het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018 inzake TMG/Staat volgt dat het verzuim van de Staat om een Europese richtlijn te implementeren, iedere dag een onrechtmatige daad oplevert.3 De op die onrechtmatige daad gebaseerde schadevorderingen verjaren dus ook afzonderlijk, zodat in ieder geval steeds over een laatste periode van vijf jaar de schade kan worden gevorderd. In een dergelijke situatie verjaart de vordering strekkende tot een bevel tot beëindiging van een dergelijke voortdurende onrechtmatige daad feitelijk niet, maar zal deze overigens in veel gevallen afstuiten op het feit dat de Staat niet mag worden bevolen wetgeving tot stand te brengen. Dat een rechtsvordering in een dergelijk geval waarin elke dag een onrechtmatige daad plaatsvindt, niet verjaart is in de toelichting op art. 3:314 lid 1 BW onder ogen gezien waar is opgemerkt dat het artikel nodig is om dit te voorkomen.
521. Een beroep op verjaring kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. De Hoge Raad heeft dat aangenomen in zaken over de verjaring van een vordering tot schadevergoeding, maar er is geen reden om aan te nemen waarom dat met betrekking tot de verjaring van vorderingen tot nakoming niet zou gelden.4 In het arrest Van Hese/De Schelde heeft de Hoge Raad ten aanzien van een verjaringstermijn van dertig jaar van een vordering tot schadevergoeding een catalogus van gezichtspunten gegeven die een rol kunnen spelen bij beantwoording van de vraag of een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. En in een arrest van 23 november 2018 is geoordeeld dat het feit dat het aanvangstijdstip van de korte verjaringstermijn mede door de billijkheid wordt bepaald, niet eraan in de weg staat dat de omstandigheden die het hof in dat geval aan zijn oordeel ten grondslag had gelegd, een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
522. Dat er voor het rechterlijk bevel en verbod geen afzonderlijke, specifieke, verjaringsregeling is opgenomen, is op zichzelf geen probleem. Het rechterlijk bevel en verbod zijn immers remedies die afhankelijk zijn van het bestaan van de onderliggende rechtsplicht. Aansluiting bij de verjaringsregels van die onderliggende rechtsplichten ligt daarom voor de hand en is zelfs noodzakelijk om te voorkomen dat er, afhankelijk van de vordering die wordt ingesteld, (nog) een apart verjaringsregime zou ontstaan.
523. Toch kan het (ook) preventieve karakter van het rechterlijk bevel en verbod in dit verband vragen oproepen. De hiervoor genoemde situatie van een incidentele onrechtmatige daad maakt dat duidelijk. Het preventie karakter van de remedie strekt ertoe een onrechtmatige situatie te beëindigen. Zolang de onrechtmatige situatie bestaat en voortduurt behoeft er geen onduidelijkheid te bestaan over de verjaring van de rechtsvordering tot opheffing ervan. Die is immers 20 jaren na aanvang van de dag waarop opheffing van de onrechtmatige toestand gevorderd kan worden. Het probleem ontstaat indien de onrechtmatige situatie (telkens) van kortstondige aard is. Bij een vordering tot beëindiging van het onrechtmatig handelen (een rechterlijk bevel of verbod) bestaat geen belang omdat de dader het handelen zelf steeds beëindigt of omdat het naar zijn aard kortdurend is. Denk aan de situatie waarin de grenzen van de erfdienstbaarheid worden overschreden door met te zware voertuigen over een bepaalde weg te gaan. Dat is iedere keer een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht van de eigenaar van het dienende erf, maar een rechtsvordering kan, behalve op het herstel van de schade, slechts gericht zijn op de toekomst en kan dus slechts bedoeld zijn om herhaling te voorkomen. Het is de vraag wanneer een op de toekomst gerichte vordering verjaart. Dat is in belangrijke mate een theoretische vraag: wanneer verjaring van een op de toekomst gerichte vordering dreigt, zal er bij die vordering in de regel geen belang meer bestaan omdat niet langer kan worden aangenomen dat er een reële dreiging van de schending van de onderliggende rechtsplicht is. Met andere woorden: als een dreiging zich zo lang niet verwezenlijkt heeft dat over verjaring nagedacht moet worden, lijkt het niet iets om de rechter mee lastig te vallen.
524. In het door mij gekozen voorbeeld gaat het om een verplichting om iets na te laten (namelijk: na te laten met voertuigen zwaarder dan toegestaan bij de vestiging van de erfdienstbaarheid over een bepaalde weg te rijden en dus na te laten inbreuk te maken op het eigendomsrecht van de eigenaar van het dienende erf).5 Die vordering wordt, zo bezien, niet bestreken door een van de gevallen van art. 3:307-314 BW. Art. 3:313 BW spreekt immers van een verplichting om iets te doen en niet van een verplichting om iets na te laten. De aanvangstermijn van de verjaring van de vordering die ertoe strekt dat iemand iets niet doet, is niet in de wet opgenomen.6 Ten aanzien van een verbintenis om iets niet te doen geldt dat de verjaringstermijn ten aanzien van de vordering strekkend tot een verbod gaat lopen wanneer in strijd met de verplichting wordt gehandeld.7 Nu zou een vordering om na te laten in strijd te handelen met de grenzen van de erfdienstbaarheid ook kunnen worden geformuleerd als een vordering om de grenzen van de erfdienstbaarheid in acht te nemen en dus om iets te doen.8 Die oplossing is er echter niet in de situatie waarin iemand zonder recht of titel dagelijks door de tuin van de buren naar de parkeerplaats loopt. De vordering strekkende tot een verbod op dat gedrag is een vordering die uitsluitend op nalaten is gericht.
525. In het oorspronkelijke ontwerp van art. 3:313 BW was als derde lid opgenomen dat ‘de termijn van verjaring van een verplichting om niet te doen, begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop inbreuk op de verplichting heeft plaatsgevonden’. Daarmee zou de vordering strekkende tot een verbod om een bepaalde handeling te verrichten beginnen te verjaren steeds de dag nadat die handeling is verricht. Het moment waarop de inbreuk heeft plaatsgevonden valt dan feitelijk samen met de aanvangstermijn van de verjaring.9 Het voorgestelde derde lid is echter geschrapt omdat de vrees bestond dat daaruit zou worden afgeleid dat iedere (‘ook de geringste’) inbreuk zou leiden tot verjaring van de rechtsvordering om iets niet te doen, ook wanneer het om andere en nieuwe inbreuken zou gaan.10 Ten aanzien van incidentele inbreuken, ook wanneer die regelmatig en in serie plaatsvinden, behoorde naar het oordeel van de wetgever steeds een verbod te kunnen worden gevraagd zolang de dreiging van zodanige inbreuken in de toekomst bestaat, en voor zover daarbij voldoende belang bestaat. Voor het overige werd het voorgestelde derde lid overbodig geacht omdat de verplichting die ter zake van een inbreuk of een serie van inbreuken ontstaat, er een is tot vergoeding van schade.11
526. De vraag naar verjaring van deze op de toekomst gerichte vordering kan daarmee feitelijk niet los worden gezien van de vraag naar het belang bij de vordering. Uit de toelichting op art. 3:313 BW volgt dat steeds een verbod kan worden gevraagd zolang de dreiging van een nieuwe inbreuk bestaat. De op de toekomst gerichte vordering verjaart dan dus niet (het verbod kan ‘steeds’ worden gevraagd). Tegelijkertijd zal er alleen belang bestaan als de reeds verrichte inbreuk niet zo lang geleden heeft plaatsgevonden dat een discussie over verjaring überhaupt niet aan de orde is. De dreiging van een nieuwe inbreuk houdt dan niet alleen het belang bij de vordering in stand, maar ook de rechtsvordering zelf. De op de toekomst gerichte vordering is daarmee een vreemde eend in de verjaringsbijt, maar in de praktijk zal dat geen problemen opleveren. Een afzonderlijke regeling is daarvoor in ieder geval niet nodig.
527. En ook overigens is een nadere regeling voor de verjaring van een vordering strekkende tot een rechterlijk bevel en verbod niet nodig. Een geslaagd beroep op verjaring staat eraan in de weg dat iemand krijgt waarop hij recht heeft. De effectiviteit van de remedie wordt dus zonder twijfel geweld aangedaan door de verjaring. Dat is echter te rechtvaardigen door de rechtvaardiging die voor verjaring in het algemeen geldt: de rechtszekerheid vereist dat de rechtstoestand zich op enig moment gaat aansluiten bij de feitelijke toestand. Het bevel en verbod nemen daarin geen bijzondere plaats in en daarvoor zou ook geen rechtvaardiging zijn. Als er wel een rechtvaardiging is om een uitzondering te maken kan een beroep op de redelijkheid en billijkheid in uitzonderlijke gevallen uitkomst bieden.