Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/6.4.1
6.4.1 Inleiding
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582350:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 23 maart 1982, zaak C-102/81 (Nordsee/Nordstern), Jur. 1982, p. 1095, NJ 1983, 149, TvA 1982, p. 151 e.v., m.nt. P. Sanders.
Zie ook Snijders 2007c, art. 1044, aant. 2 en zijn verwijzing naar HvJ EG 23 maart 1982, zaak C-102/81 (Nordsee/Nordstern), Jur. 1982, p. 1095, NJ 1983, 149, TvA 1982, p. 151 e.v., m.nt. P. Sanders; HR 21 maart 1997, NJ 1998, 207, m.nt. HJS (Eco Swiss/Benetton), TCR 1997, p. 67, m.nt. G.J. Meijer, JOR 1997, 74, m.nt. A.A. van Rossum, Drion 1997, p. 181-186; Zippro 2005b, p. 1368-1372. Zie ook Sanders 2001, p. 102-104.
Een belangrijk verschil vormt het feit dat arbiters, in tegenstelling tot de overheidsrechter, geen prejudiciële vragen kunnen stellen aan het HvJ EG ex artikel 234 EG. In de zaak Nordsee v. Nordstern heeft het HvJ EG beslist dat arbiters niet vallen onder het begrip 'rechterlijke instanties' zoals bedoeld in artikel 234 EG.1 Het HvJ EG overweegt als volgt (r.o. 10):
'Het is juist dat het fungeren van het onderhavige scheidsgerecht, zoals de arbiter in zijn vraag heeft aangegeven, in zoverre een zekere gelijkenis vertoont met de rechterlijke werkzaamheid, dat de arbitrageprocedure wettelijk is geregeld, de arbiter naar de regelen des rechts heeft te beslissen, en zijn beslissing tussen partijen de werking van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis heeft en een voor tenuitvoerlegging vatbare titel kan opleveren wanneer zij uitvoerbaar wordt verklaard. Deze kenmerken volstaan echter niet om de arbiter de status van "rechterlijke instantie van een der Lid-Staten" in de zin van art. 177 EEG-Verdrag [thans artikel 234 EG, EJZ] te verlenen.'
Het HvJ EG neemt dan ook geen prejudiciële vragen van 'normale' scheidsgerechten in behandeling.2