Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.6.2
2.6.2 Vestiging van de parlementaire democratie
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 645.
Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 645.
Handelingen II 1919/20, p. 929. De verwerping van de begroting van Marine leidde tot het opstappen van de Minister van Marine. Warmelink 1993, p. 40.
Elzinga & Warmelink 1993, p. 24.
Elzinga & Warmelink 1993, p. 23.
Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 646.
Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 475.
Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 647.
Elzinga & Warmelink 1993, p. 24. Het gemis aan een parlementair kabinet zou tot grotere zelfstandigheid van de regering leiden, doordat het kabinet niet gedwongen kan worden om weg te gaan. Voor een pleidooi tegen de stelling dat partijversplintering en dualisme, dat het kabinet niet steeds steunt op een blijvende meerderheid, leidt tot een afname van daadkracht van het parlement omdat het niet meer de wil van het parlement zou vertegenwoordigen, zie Scheltema 1928, p. 206 e.v., in het bijzonder p. 229.
Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 647. Zie paragraaf 2.9.2.
Tussen 1887 en 1917 was er sprake van een stabiel parlementair stelsel. Van der Pot/Elzinga e.a. spreken zelfs van ‘la belle epoque’ van het parlementaire stelsel.1 Er was sprake van blokvorming: de rechterzijde of de linkerzijde wonnen bij de verkiezingen eigenlijk altijd een meerderheid. Het was dan vanzelfsprekend om een kabinet aan te stellen dat gesteund werd door de meerderheid van de Tweede Kamer.2 Doordat de Kamermeerderheid het kabinet steunde werd het verwerpen van de begroting en het wegsturen van ministers steeds onwaarschijnlijker. De laatste begrotingsverwerping dateert dan ook van 1919.3
De invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1917 bracht een centralisering van de partijorganisaties met zich mee en versterkte de steeds nadrukkelijkere rol van politieke partijen. Parlementaire bevoegdheden, het gebruik en de invulling ervan, werden steeds afhankelijker van de politieke verhoudingen en de partijpolitieke overwegingen.4 Er was steeds meer sprake van een partijendemocratie. De invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging had ook tot gevolg dat er in toenemende mate een partijversplintering optrad.5 De verhouding tussen het parlement en de regering veranderde. Het parlementaire stelsel en de vertrouwensregel gingen anders functioneren. In deze tijd leken extra parlementaire kabinetten gebruikelijk te worden.6 Dit zijn kabinetten die tot stand komen zonder of met geringe parlementaire betrokkenheid en dus geen nauwe vertrouwensband hebben met de meerderheid in de Tweede Kamer.7 Het accent van de werkzaamheden van het parlement lag vooral bij het controleren van de regering en minder bij de functie van medewetgever en mederegeerder. Het dualisme van de regering en volksvertegenwoordiging werd opnieuw erkend.8 Volgens Elzinga en Warmelink leek het er dan ook op dat van de verworven macht en de daadkracht van het parlement in de eeuw hiervoor er na 1917 nog maar weinig overbleef.9
Na de Tweede Wereldoorlog kenterde deze ontwikkeling echter. De kabinetsformatie kreeg vaste vormen waarbij regeerakkoorden een belangrijke plaats innamen en het parlement vestigde in de veranderende verhoudingen zijn rol tegenover de regering.10