Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.4.4:4.4.4 De achtergrond en strekking van afd. 6.3.2 BW
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.4.4
4.4.4 De achtergrond en strekking van afd. 6.3.2 BW
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS300394:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat in het stelsel van art. 6:173, 174, 179 en 181 de bedrijfsmatige gebruiker ‘voorop’ staat waarachter de (particuliere) bezitter als ‘vangnet’ fungeert, laat zich goed verklaren door de achtergrond en strekking van afd. 6.3.2 BW. Vanaf het midden van de 19e eeuw – het OBW was kort daarvoor in 1838 ingevoerd – veranderde het maatschappijbeeld ingrijpend door de Industriële revolutie. De samenleving werd gevaarlijker (men zag zich geconfronteerd met méér en nieuwe risico’s) en complexer (betrokken verhoudingen werden onoverzichtelijker). Nadat aanvankelijk de vrijheid van economische activiteit hoger werd gewaardeerd, vond de slachtofferbeschermingsgedachte steeds meer weerklank. Steeds breder werd gedragen de gedachte dat de schade van slachtoffers van ‘bedrijfsmatige’ risico’s zoveel mogelijk afgewenteld diende te worden op degenen die deze gevaren ook hadden doen ontstaan. Dat de degene die het gevaar creëerde niet altijd zelf een ‘verwijt’ trof ten aanzien van de ontstane schade behoefde, mede door de toenemende verzekerbaarheid van bedrijfsmatige risico’s, niet aan zijn aansprakelijkheid in de weg te staan. Tegen deze achtergrond werd in 1992 afd. 6.3.2 BW ingevoerd – waaraan in 1995 art. 6:175-177 nog werden toegevoegd –, met daarin opgenomen diverse kwalitatieve aansprakelijkheden voor uiteenlopende ‘bronnen van verhoogd gevaar’. De aansprakelijkheid werd steeds zoveel mogelijk ‘geconcentreerd’ bij degene die een bedrijf uitoefent en daarbij gebruik maakt van de in afd. 6.3.2 BW bedoelde personen en zaken.1 De kiem van (de behoefte aan) de diverse in afd. 6.3.2 BW opgenomen aansprakelijkheden is derhalve gelegen in een bescherming tegen schade door ‘bedrijfsmatige’ activiteiten. Hiermee strookt dat in geval van schade door een ‘bron van verhoogd gevaar’ als bedoeld in afd. 6.3.2 BW de aansprakelijkheid daarvoor in de eerste plaats rust op de ‘professional’ en niet op ‘de particulier’.
In die richting wijzen ook de concrete argumenten die in de parlementaire geschiedenis ter rechtvaardiging van de invoering van afd. 6.3.2 BW zijn aangevoerd. Genoemd worden het bieden van bescherming tegen ‘verhoogd’ gevaar, het vergemakkelijken van de opspoorbaarheid van de aansprakelijke persoon, de eenheidsgedachte, aspecten van schadespreiding en verzekering, alsook het profijtbeginsel.2 Worden in dit licht de aansprakelijkheden voor de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken bezien, dan valt te constateren dat de genoemde argumenten niet zozeer opgeld doen in geval van ‘particulier bezit’ maar juist in geval van ‘bedrijfsmatig gebruik’. Immers, juist bedrijfsactiviteiten kunnen de verwezenlijking van het aan de bedoelde zaken verbonden gevaar in de hand werken, terwijl ‘het bedrijf’ de kosten van een aansprakelijkheid daarvoor – al dan niet in de vorm van verzekeringspremies – beter kan spreiden (over zijn afnemers) dan een particulier. Ook zal in de bedrijfsmatige sfeer de profijtgedachte meer op de voorgrond staan dan in de particuliere sfeer. Bovendien zullen voor benadeelden ondoorzichtige (interne) verhoudingen, die een ‘centraal adres’ voor aansprakelijkheid wenselijk maken, zich niet snel in de particuliere maar vooral in de bedrijfsmatige sfeer voordoen. Hetzelfde geldt voor de ‘eenheidsgedachte’, waaraan in beginsel alleen in de bedrijfsmatige sfeer een reële betekenis toekomt.
De achtergrond en strekking van afd. 6.3.2 BW vormen ook een verklaring voor het ‘systeemverschil’ tussen art. 6:179 (alsmede art. 6:173 en 174) jo. 181 en art. 1404 OBW. De laatste bepaling stelde bij de aansprakelijkheid voor dieren de eigenaar als aansprakelijke persoon voorop en liet aan de gebruiker de rol van een uitzondering van praktisch beperkte betekenis. Het is juist de periode ná de invoering van het OBW in 1838 waarin de maatschappelijke omstandigheden en inzichten sterk wijzigden. Door industrialisatie, professionalisering en schaalvergroting was ten opzichte van de periode waarin het OBW tot stand was gekomen sprake van een ‘nieuwe’ situatie gekenmerkt door bedrijfsmatige risico’s. In daarop toegesneden wetgeving zoals afd. 6.3.2 BW komt het logischer voor de aansprakelijkheid van ‘het bedrijf’ tot uitgangspunt te nemen en niet meer – zoals nog wel in art. 1404 OBW – die van de (particuliere) eigenaar/bezitter.