Wijziging van beperkte rechten
Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/3.3.4.3:3.3.4.3 Rangwijziging van bij voorbaat gevestigde beperkte rechten
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/3.3.4.3
3.3.4.3 Rangwijziging van bij voorbaat gevestigde beperkte rechten
Documentgegevens:
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254117:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
360. Ook vóór het ontstaan van twee (of meer) beperkt rechten kan behoefte bestaan aan een ‘rangwijziging’. Pandrechten en rechten van vruchtgebruik kunnen ingevolge art. 3:98 jo. art. 3:97 BW bij voorbaat worden gevestigd op toekomstige goederen. Dat wil zeggen dat partijen nu alvast de “vereiste handelingen verrichten met het oog op een in de toekomst gelegen” vestiging van het beperkte recht.1 De vestigingshandeling met betrekking tot het betreffende beperkte recht wordt aldus bij voorbaat verricht, in afwachting van verkrijging van het goed door de blooteigenaar. Door een geslaagde vestigingshandeling bij voorbaat ontstaat het beperkte recht nog niet, omdat nog niet is voldaan aan alle vereisten van art. 3:98 jo. art. 3:84 BW, in het bijzonder niet aan de eis van beschikkingsbevoegdheid. Toekomstige goederen kunnen meerdere malen bij voorbaat worden bezwaard. Art. 3:97 lid 2 BW regelt de gevolgen van een meervoudige vestiging bij voorbaat. Volgens Schuijling kan een afwijking zijn gewenst van de onderlinge rang op basis van het tijdstip van de vestigingshandeling, zoals door art. 3:98 jo. art. 3:97 lid 2 BW wordt bepaald.2 Een rangwijziging kan geschieden doordat aan de eerdere vestigingshandeling haar werking wordt ontnomen (door ‘opzegging’ of ‘afstand’), waarna een nieuwe vestigingshandeling wordt verricht.3
361. Die manier is nogal omslachtig, dus vraagt Schuijling zich af of “de pandhouders krachtens een daarop gerichte rechtshandeling en met goederenrechtelijke werking een afwijkende onderlinge rangorde kunnen bewerkstelligen.”4 Hij komt – mijns inziens terecht – tot de conclusie dat “de tussen hen op grond van art. 3:98 jo. 3:97 lid 2 BW geldende rang (…) langs deze weg [kan] worden gewijzigd.”5 Dat bevreemdt ook niet, omdat in feite ‘gewoon’ sprake is van een rangwijziging bij de vestiging (bij voorbaat), na de vestiging (bij voorbaat) of voor de vestiging (bij voorbaat), zoals in de vorige paragrafen aan bod is gekomen. Als een beperkt recht bij voorbaat is gevestigd, kan bij de vestiging bij voorbaat van een nieuw beperkt recht aan dit recht een andere rang worden toegekend overeenkomstig paragraaf 3.3.2.2. Als twee (of meer) beperkte rechten tegelijkertijd bij voorbaat worden gevestigd, kan bij die vestiging aan de beperkte rechten een bepaalde rang worden toegekend overeenkomstige paragraaf 3.3.2.3. Als twee (of meer) beperkte rechten bij voorbaat zijn gevestigd, kan na die vestiging aan de beperkte rechten een afwijkende rang worden toegekend overeenkomstig paragraaf 3.3.3.2, 3.3.3.3 of 3.3.3.4. Als een beperkt recht bij voorbaat wordt gevestigd, kan bij die vestiging het recht worden voorbehouden op een later moment een beperkt recht bij voorbaat te vestigen dat in rang komt voor het als eerste gevestigde beperkte recht bij voorbaat overeenkomstig paragraaf 3.3.4.2.