Afspraken en Aanspraken
Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/III:Deel III Het vaststellen van (de gevolgen van) een schending van gerechtvaardigd vertrouwen in het bestuursrecht
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/III
Deel III Het vaststellen van (de gevolgen van) een schending van gerechtvaardigd vertrouwen in het bestuursrecht
Documentgegevens:
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685369:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige twee delen heb ik de eerste twee onderzoeksvragen beantwoord. Die vragen gingen over de te vergelijken toetsingskaders in het bestuursrecht en het civiele recht en de rechtsmachtverdeling bij de beoordeling van een schending van gerechtvaardigd vertrouwen. Nu volgt de inhoudelijke beoordeling van een beroep op een vertrouwensschending door de rechters. Wanneer leidt een vertrouwensschending tot rechtsgevolgen? In dit derde deel van het onderzoek staat de beoordeling door de bestuursrechter van een beroep op het vertrouwensbeginsel centraal. Sinds de Dakterras-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 hanteren de Afdeling bestuursrechtspraak, (en later) de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven meer dan voorheen een uniform juridisch kader bij de beoordeling of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen en of dat gerechtvaardigd vertrouwen gehonoreerd moet worden en tot een vernietiging van het aangevochten besluit moet leiden. In hoofdstuk 6 ga ik tevens in op de mogelijkheid tot het verkrijgen van schadevergoeding bij de bestuursrechter na een vertrouwensschending door de overheid als honorering van een beroep op het vertrouwensbeginsel niet mogelijk is maar het bestuursorgaan met zijn besluit wel gerechtvaardigd vertrouwen schendt.
Het zevende hoofdstuk bevat een interne rechtsvergelijking met het belastingrecht. De belastingrechter hanteert een toetsingskader dat afhankelijk is van de soort overheidsuitlating. Ik onderzoek in hoeverre het reguliere bestuursrecht aan die aanpak inspiratie kan ontlenen bij de behandeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel. In tegenstelling tot veel van de rechtspraak die ik behandel in hoofdstuk 6, is in het belastingrecht sprake van tweepartijenverhoudingen en van besluitvorming op grond van gebonden bevoegdheden. Daarmee lijkt die rechtspraak in de regel meer op die van de Centrale Raad van Beroep dan bijvoorbeeld van de Afdeling. Het onderscheid gebonden bevoegdheden en tweepartijenverhouding versus discretionaire bevoegdheden en meerpartijenverhoudingen levert echter geen onderscheid op dat in de rechtspraak structurele doorwerking kent. Dit komt onder andere omdat de Centrale Raad van Beroep het toetsingskader van de Afdeling heeft overgenomen, het fiscale recht – in tegenstelling tot de bestuursrechtspraak – meerdere (verschillende) toetsingskaders toepast en het onderscheid tussen tweepartijenverhoudingen en meerpartijenverhoudingen tussen rechtscolleges niet altijd scherp kan worden gemaakt (ook de Afdeling oordeelt bijvoorbeeld wel eens in geschillen waarbij geen derden zijn betrokken). Ik maak dat onderscheid tussen het toetsen van de uitoefening van discretionaire en gebonden bevoegdheden dan ook niet en kijk naar de door de verschillende rechtscolleges toegepaste toetsingskaders. Wat mijns inziens wel wenselijk is om uit het belastingrecht mee te nemen, is de principiële erkenning dat ook (onjuiste) inlichtingen tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen leiden.
6 De toepassing van het vertrouwensbeginsel door de ABRvS, de CRvB en het CBb7 De toepassing van het vertrouwensbeginsel in het belastingrecht