Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.4.1:3.4.1 Aanpassing van de referte-eis in 2006: afschaffing van de kortdurende uitkering en aanscherping van de wekeneis
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.4.1
3.4.1 Aanpassing van de referte-eis in 2006: afschaffing van de kortdurende uitkering en aanscherping van de wekeneis
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258963:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 62-65.
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 62-65.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uiteindelijk heeft het kabinet inderdaad het unanieme advies van de SER overgenomen. Net als bij de wijziging in 1995 werd bij deze wetswijziging1 in 2006 het belang van een langdurige band met de arbeidsmarkt benadrukt voor toetreding tot de WW-verzekering.2 Er werden per 1 april 2006 twee maatregelen genomen, namelijk de afschaffing van de kortdurende uitkering op minimumniveau en een aanscherping van de wekeneis.
Een (kennelijk nog) duidelijke(re) band met het arbeidsproces werd nagestreefd en het kabinet was van mening dat de toetredingsvoorwaarden die sinds 1995 golden (26-uit-39-wekeneis, 4-uit-5-jareneis) een nog te zwakke band met het arbeidsproces betekenden om nu nog in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. Een mijns inziens opmerkelijke redenering gezien het feit dat de wijzigingen van de referte-eisen in 1995 juist waren ingevoerd om een duidelijke band met het arbeidsproces te creëren.
De kortdurende uitkering op minimumniveau werd vanuit het perspectief van deregulering en vereenvoudiging van de uitvoering van de WW afgeschaft om te komen tot structureel lagere uitvoeringskosten.3 In 2002 kreeg 20 procent van de instromers in de WW een kortdurende uitkering en 54 procent van deze groep was jonger dan 30 jaar en 75 procent jonger dan 40 jaar. Het aanscherpen van de wekeneis zou met name gevolgen hebben voor personen met een kortlopend tijdelijk contract (van minder dan 39 weken) en voor personen van wie het recente arbeidspatroon onregelmatig is. Gemiddeld was er sprake van een instroombeperking van 9 procent. Die instroombeperking zou hoger uitvallen in sectoren waarin met tijdelijke krachten werd gewerkt of waar er seizoensarbeid is, zoals de uitzendsector, de agrarische sector of de horeca.4
Het kabinet sleutelde niet alleen aan de referteperiode maar ook aan het aantal gewerkte weken. Het voorstel was aanvankelijk om de verlangde gewerkte weken op te hogen van 26 naar 39 weken en de referteperiode te verlengen van 39 weken naar 52 weken. De rechtvaardiging voor die keuze was ingegeven door de overweging dat de aanscherping een relevante beperkende invloed moest hebben op de instroom, maar dat er tevens ruimte diende te blijven voor werknemers met een onregelmatig arbeidspatroon. De verwachting van het kabinet was bovendien dat de strengere referte-eisen tot een grotere arbeidsdeelname zouden leiden omdat werknemers langer dan wel regelmatiger zouden proberen te gaan werken om aan de hogere referte-eisen te voldoen.5
Naar aanleiding van het in paragraaf 3.4 behandelde SER-advies6 heeft het kabinet er niet voor gekozen om de wekeneis te verscherpen naar 39 uit 52 weken, maar naar 26 uit 36 weken. Die wijziging ging in op 1 oktober 2006. Met dit voorstel zou volgens het kabinet een meer duurzame band met het arbeidsproces in de periode voorafgaand aan de werkloosheid worden gecreëerd. Het advies van de SER werd overgenomen, omdat het kabinet de opvatting van de SER onderschreef dat bij een goede balans tussen inkomensbescherming en activering de WW baanmobiliteit stimuleert en daarmee een efficiënte allocatie van de arbeid. Een groter accent op arbeidsmarktdynamiek betekende meer nadruk op uitstroom uit de WW naar betaalde arbeid. De grote herhalingswerkloosheid was een probleem dat voor een deel veroorzaakt werd door de positie van de betreffende werknemers op de arbeidsmarkt, maar ook door de vormgeving en de maatvoering van de WW. Met het aanscherpen van de wekeneis, in lijn met het voorstel van de SER, zouden de doelstellingen van een activerende en dynamische WW worden behaald.7
Met de voorgestelde referte-eis van 26-uit-36-weken moest de WW relatief laagdrempelig toegankelijk blijven voor iedereen en met name de groepen die werden getroffen door de afschaffing van de kortdurende uitkering (jongeren, starters, flexwerkers en herintreders).8 Door de beperking van het aantal weken in de referteperiode werd de verhouding tussen het aantal te werken weken en de referteperiode verscherpt. Dit zou met name gevolgen hebben voor werknemers met een onregelmatig arbeidspatroon.9 In de Eerste Kamer werden daarom vragen gesteld over de aanscherping van de wekeneis en het effect op seizoensarbeid. Het kabinet was van mening dat werknemers in de seizoenssector door de aanscherping van de wekeneis minder snel in aanmerking komen voor een WW-uitkering en daardoor zouden worden gestimuleerd om meer arbeid te aanvaarden. Dit zou tot een toename van het arbeidsaanbod leiden. Naar verwachting zouden de werkgevers van seizoensarbeid niet moeilijker aan personeel kunnen komen, hetgeen een zorg was van de Kamerleden.10
Met deze wetswijziging in 2006 werd kortdurende uitkering van zes maanden op minimumniveau afgeschaft. Deze uitkering was ingevoerd voor werklozen die wel aan de wekeneis voldeden, maar niet genoeg arbeidsverleden hadden opgebouwd om in aanmerking te komen voor de loongerelateerde uitkering. De kortdurende uitkering fungeerde als overgangsperiode voor werklozen om niet meteen op de bijstand of de IOAW aangewezen te zijn met de daarbij behorende vermogens- en partnerinkomenstoets. De uitkering werd afgeschaft, omdat er volgens het kabinet aanleiding was om meer dan voorheen belang te hechten aan de duur van het arbeidsverleden en daarom de toegang tot de WW te beperken tot personen die zowel aan de wekeneis als aan de arbeidsverledeneis voldeden.11 Het kabinet lichtte niet nader toe waarom met deze afschaffing een overgangsperiode voordat de werkloze in de bijstand belandde niet meer van belang werd geacht. In hoofdstuk 2 (paragraaf 2.5) wordt de invoering van de kortdurende uitkering uitgebreider behandeld.