Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.4.2
3.4.2 Besluit verlaagde wekeneis
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258917:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor de beetwortelindustrie gold een verlaagde wekeneis van 13 uit 39 weken. Voor de agrarische sector algemeen, de aardappelindustrie, het transport van aardappels en suikerbieten, de groente- en fruitverwerkende industrie, de visconservenindustrie en de werkzaamheden als kermismusicus, gold een verlaagde wekeneis van 16 uit 39 weken. De verlaagde wekeneis van 20 uit 39 weken gold onder andere voor de horeca, pensions aanverwante bedrijven, bakkerijen verbonden met horeca, werkzaamheden als aardappelkarteerder en -controleur, de reis- en recreatiesector, de rondvaart -en toerwagensector, de opslag en vervoer voor de agrarische groothandel, werkzaamheden als sorteerder/inpakker in tuinbouw en bloembollenhandel, seizoenswerk in een winkelbedrijf, werkzaamheden in een veen of bontbedrijf, het spoelen en pakken van witlof en de luchtvaartbedrijven.
De WW kende voor bepaalde bedrijfstakken1 een verlaagde wekeneis. Het ging daarbij vooral om seizoensarbeid, of kunstenaars (musici en artiesten) en hun technisch begeleiders, voor zover zij in een onregelmatig patroon werkzaam waren. In 2006 werd voorgesteld om het Besluit verlaagde wekeneis voor alle sectoren waarop dit van toepassing was af te schaffen. De aanscherping van de wekeneis (besproken in de vorige paragraaf) was reden voor het kabinet om ook de verlaagde wekeneis voor deze groepen te heroverwegen. Het kabinet is daar deels in mee gegaan. Ten aanzien van seizoenswerknemers is het besluit afgeschaft. De reden daarvoor was volgens het kabinet dat werknemers niet meer aangewezen zijn op een bepaald soort seizoensarbeid, omdat met de meer dan voorheen geflexibiliseerde arbeidsmarkt er een veel grotere (arbeids)mobiliteit is.2 Het kabinet vond dat daarom van deze groepen werknemers kon worden gevraagd om naast de seizoensarbeid ook andere arbeid te verrichten. In de huidige mobiele samenleving zou men dus niet meer aangewezen zijn op seizoensarbeid alleen, zodat deze seizoenswerknemers met een onregelmatig of onderbroken arbeidspatroon niet meer mochten worden bevoordeeld ten opzichte van andere werknemers als uitzend- en oproepkrachten die ook in onregelmatige arbeidspatronen werkzaam waren.
Voor artiesten en musici gold deze redenering niet volgens het kabinet, omdat de arbeidsrelaties in die sector vaak kortdurend, onregelmatig en onlosmakelijk verbonden zijn met de persoon die de werkzaamheden verricht. In de projecten in deze sector wordt vaak met losse, kortdurende contracten gewerkt. Het beroep op de verlaagde wekeneis zou door musici en artiesten dan ook zijn toegenomen. Daarom was het voorstel dat de verlaagde wekeneis niet zou worden afgeschaft voor deze groep, maar wel aangescherpt van 16-uit-39-weken naar 26-uit-39-weken, de algemene wekeneis zoals die gold voor de aanscherping in 2006. Dit voorstel is later weer gewijzigd, waarbij toch vast is gehouden aan de 16-uit-39-wekeneis voor de onregelmatig werkende musicus, artiest of filmmedewerker. Om een dergelijke afwijkende wekeneis mogelijk te maken voor deze beroepsgroepen werd geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur voor bepaalde groepen werknemers het aantal van 36 weken hoger kon worden vastgesteld en het aantal van 26 weken lager kon worden vastgesteld. Dit werd neergelegd in het Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.3