Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/10.5.4.4
10.5.4.4 Forfaitaire waarde vaststelling (artikel 73-vergunning)
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258734:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 73 DWU zou er, door de uitbreiding ten opzichte van het CDW, daarnaast toe kunnen leiden dat het Hof van Justitie tot een ander oordeel was gekomen onder het DWU, aldus de commissie Transfer Pricing en btw van de Vereniging voor Belastingwetenschap. Het argument dat zij hiervoor geven is dat met dit artikel douaneautoriteiten zich kunnen indekken tegen het risico dat die bedrijven alleen verzoeken om aanpassingen naar beneden, welk argument het Hof van Justitie mee leek te wegen in zijn oordeel om een verrekenprijsaanpassing niet in aanmerking te nemen (zie hiervoor onder 10.5.3.4.2 en 10.5.3.4.3). Commissie Transfer pricing en btw, Transfer Pricing en btw. De effecten van transfer pricing aanpassingen op de heffing van btw, Geschrift nr. 259 van de Vereniging voor Belastingwetenschap 2019, p. 129.
Minutes of the 5th meeting of the Customs Expert Group - Valuation held on 11th and 12th October 2018, taxud.e.5(2018)6229638.
In artikel 73 DWU wordt voorzien in de mogelijkheid om de bedragen op basis van specifieke criteria te bepalen (lees: een forfaitaire waarde vast te stellen) wanneer die bedragen niet meetbaar zijn op de datum waarop de douaneaangifte is aanvaard (onderdeel 6.4.3.1). De forfaitaire waarde is gelijk de definitieve waarde, zelfs indien naderhand een opwaartse of neerwaartse prijsaanpassing plaatsvindt. Anders dan onder het CDW, wordt onder ‘bedragen’ ook de gehele transactiewaarde verstaan en niet alleen prijselementen zoals royaltybetalingen alsmede andere in artikel 71 DWU genoemde prijselementen (hoofdstuk 11). Het lijkt derhalve een mogelijkheid om de douanewaarde vast te stellen op basis van een interne verrekenprijs die de outcome test approach volgt (lees: mogelijk onderworpen is aan verrekenprijsaanpassingen).1 De Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) is echter, afgeleid uit de notulen van de vijfde vergadering, van mening dat artikel 73 DWU zich niet leent voor de afstemming van de douanewaarde op interne verrekenprijzen.2 Een reden daarvoor geven zij niet. De achtergrond van hun zienswijze kan naar mijn mening zijn gelegen in het feit dat de forfaitaire waarde in zekere zin een schatting van de werkelijk waarde van de ingevoerde goederen betreft, terwijl de transactiewaarde bij verbonden partijen ook preciezer vastgesteld kan worden. Indien de transactiewaarde op een later moment nog aanpassing behoeft vanwege een interne verrekenprijsaanpassing, kan bijvoorbeeld de vereenvoudigde aangifte worden toegepast (onderdeel 10.5.4.3). Met de toepassing van de vereenvoudigde aangifte kan een preciezere benadering van de werkelijke waarde van de ingevoerde goederen worden bewerkstelligd (onderdeel 6.4.3.1). Vanuit het gezichtspunt van de neutraliteit van het douanewaardestelsel en het gevaar dat bij een schatting de douanewaarde wordt vastgesteld op een arbitraire of fictieve waarde, maakt dat voor de zienswijze van de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) in die zin wat te zeggen valt. Aan de andere kant, zoals reeds betoogd in onderdeel 10.5.4.3, brengt de toepassing van een vereenvoudigde aangifte veel administratieve lasten met zich en zou, omwille van de eenvoud, de toepassing van een artikel 73-vergunning een welkome uitkomst bieden om de douanewaarde te baseren op een interne verrekenprijs zonder dat naderhand (verreken)prijsaanpassingen in aanmerking genomen hoeven worden. Ik merk daarbij aanvullend op dat de bewoordingen van artikel 73 zich in de opzet niet verzetten tegen de toepassing van een artikel 73-vergunning als de douanewaarde wordt vastgesteld op een interne verrekenprijs die mogelijk is onderworpen aan verrekenprijsaanpassingen. Ik meen wel dat wanneer een artikel 73-vergunning voor dit doel wordt aangewend, interne verrekenprijsaanpassingen op prospectieve wijze in aanmerking genomen zouden moeten worden. Dit bewerkstelligt namelijk dat de werkelijke waarde van de ingevoerde goederen, bezien over meer dan één jaar, beter wordt benaderd en dat daarmee wordt voorkomen dat de douanewaarde wordt gebaseerd op een arbitraire of fictieve waarde. Ik licht dat hierna nader toe aan de hand van een voorbeeld.
Een artikel 73-vergunning lijkt aangevers de mogelijkheid te gunnen om de werkelijk betaalde of te betalen prijs te baseren op een forfait. De toepassing van een artikel 73-vergunning leidt er echter toe dat retroactieve verrekenprijsaanpassingen niet in aanmerking worden genomen voor het definitief vaststellen van de douanewaarde. Wel kunnen retroactieve verrekenprijsaanpassingen in aanmerking genomen worden door in een volgend boekjaar de verrekenprijsaanpassingen prospectief in aanmerking te nemen. In tabel 10.1 wordt cijfermatig inzichtelijk gemaakt hoe een en ander uitwerkt.
Initiële interne verrekenprijs
Verrekenprijs na eindejaarscorrectie
Forfait
Boekjaar 1
100
120
100
Boekjaar 2
110
100
130
Boekjaar 3
120
110
110
Boekjaar 4
130
130
120
Gemiddeld
-
115
115
Tabel 10.1 Prospectieve verrekenprijsaanpassing bij toepassing artikel 73-vergunning
Uit bovenstaande tabel volgt dat in boekjaar 1 de initiële interne verrekenprijs wordt vastgesteld op 100. De douanewaarde, die met toepassing van een artikel 73-vergunning wordt vastgesteld aan de hand van een forfait, wordt gelijkgesteld aan de initiële interne verrekenprijs van 100. De eindejaarscorrectie wordt door de toepassing van de artikel 73-vergunning niet retroactief in aanmerking genomen voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen in boekjaar 1. De eindejaarscorrectie van 20 (120 -/- 100 = 20) wordt echter wel in aanmerking genomen bij het bepalen van het forfait dat in boekjaar 2 wordt gebruikt om de douanewaarde van de ingevoerde goederen te bepalen. Dat betekent dat het forfait wordt berekend door de eindejaarscorrectie van boekjaar 1 (20) op te tellen bij de initiële interne verrekenprijs in boekjaar 2 (110). De eindejaarscorrectie van boekjaar 1 wordt op die manier prospectief in aanmerking genomen en het forfait bedraagt in boekjaar 2 zodoende 130. De forfaits in de boekjaren 3 en 4 worden op eenzelfde wijze vastgesteld. Door het op prospectieve wijze in aanmerking nemen van eindejaarscorrecties wordt gewaarborgd dat over een periode van verschillende jaren een zakelijke prijs wordt gehanteerd. Over de vier boekjaren bezien is het gemiddelde forfait namelijk 115 EUR net als de gemiddelde verrekenprijs na eindejaarcorrectie.
Bezien over de gehele linie is in het gegeven voorbeeld gewaarborgd dat geen sprake is van prijsbeïnvloeding. Niettemin staat deze methode verder af van het douanewaardesysteem dat onder andere tot doel heeft om op transactieniveau zorg te dragen dat de prijs die tussen verbonden partijen tot stand komt ten aanzien van de ingevoerde goederen niet beïnvloed is. Ook is in het gegeven voorbeeld veronderstelt dat de betrokken ondernemingen jaar naar jaar dezelfde producten in dezelfde hoeveelheden blijven afnemen. Dit zal niet altijd het geval zijn waardoor niet met zekerheid kan worden gesteld dat de gehanteerde prijs over de verschillende jaren bezien ‘zakelijk’ is. Dat neemt derhalve het gevaar met zich dat de douanewaarde aan de hand van een arbitraire of fictieve waarde wordt vastgesteld en schaadt derhalve in wezen de neutraliteit van het stelsel. Ik meen derhalve dat een artikel 73-vergunning slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toepassing kan vinden.