Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.2.5
2.2.5 Is er sprake van een direct verband tussen de godsdienstige leer en de betreffende uiting of gedraging?
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454021:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 april 1960, NJ 1960, 436, m.nt. Röling.
ARRvS 20 januari 1983, AB 1983, 389, m.nt. Goldschmidt (Jehova getuige); ARRvS 7 april 1983, AB 1983, 430, m.nt. Boon (Antroposofische arts).
Zie ook CRvB 21 februari 2008, RSV 2008, 111.
Zie annotatie Boon, ARRS 7 april 1983, AB 1983, 430 (Antroposofische arts), HR 13 maart 1963, BNB 1963/123, m.nt. Hellema; AB 1963, 610; HR 26 april 2000, BNB 2000, 243, CRvB 29 december 1997, AB 1998 (weigering betalen premie ziektekostenverzekering wegens geloofsredenen).
CRvB 24 februari 1998, JABW 1998, 72 (Sollicitatieplicht).
ARRS 20 januari 1983, AB 1983, 389, m.nt. J.E. Goldschmidt (Jehova’s Getuigen).
CRvB 4 juni 1986, RSV 1987, 16.
Vgl. Vermeulen 2007, p. 78.
Kamerstukken I 1987/88, 19427, nr. 135b, p. 4.
EHRM 12 oktober 1978, nr. 7050/75 (Arrowsmith v UK), p. 5 (19-20).
EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96 (Hasan & Chaush v Bulgaria), par. 60; EHRM 13 december 2001, nr. 45701/99 (Metropolitan Church of Bessarabia and others v Moldova), par. 114; EHRM 10 november 2005, nr. 44774/98 (Leyla Sahin v Turkey), par. 105; EHRM 6 november 2008, nr. 58911/00 (Leela Forderkreis v Germany), par. 80; EHRM 15 januari 2013, nr. 48420/10, 59842/10, 6167/10 and 36516/10 (Eweida and Others v United Kingdom),par. 82.
ECRM 12 October 1978 (report), nr. 7050/75 (Arrowsmith v the UK)par. 71.
EHRM 19 april 1993, nr. 14307/88 (Kokkinakis v Greece).
ECRM 15 februari 2001, nr. 42393/98 (Dahlab v Zwitserland).
EHRM 10 mei 2001, nr. 25781/94 (Cyprus v Turkey).
EHRM 12 oktober 1978, nr. 7050/75 (Arrowsmith v UK), par. 71.
ECRM 22 mei 1995, nr. 27868/95 (Salonen v Finland).
EHRM 18 december 1986, nr. 9697/82 (Johnston and others v Ireland), par. 63.
ECHR 12 december 2002, nrs. 1988/02, 1997/02, 1977/02 (Sofianopoulos and Others v Greece).
EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty v the UK), par. 31.
Zie ook EHRM 13 september 2005, nr. 42639/04 (Jones v Verenigd Koninkrijk), waarin het ging om de wens om een foto bij een grafsteen te plaatsen. Het EHRM overwoog dat ‘… it cannot be argued that the [applicant] … could not properly pursue his religion and worship without permission for such a photograph being given’.
EHRM 18 december 1996, nr. 21787/93 (Valsamis v Greece), par. 36; EHRM 18 december 1996, nr. 24095/94 (Efstratiou v Greece), par. 37); EHRM 3 december 2009, nr. 40010/04 (Tamar Skougar and Others v Russia). Zie ook Uitz 2007, p. 49.
EHtCR 15 december 1983, 10358/83 (C. v the UK). Zie voor een Nederlandse zaak met exact gelijke strekking HR 26 april 2000, BNB 2000, 243.
EHRM 2 oktober 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:1002DEC004985399 (Pichon en Sajous v Frankrijk), p. 4; EHRM 25 februari 1995, nr. 22838/93 (Van den Dungen v the Netherlands).
EHRM 15 januari 2013, nr. 48420/10, 59842/10, 6167/10 and 36516/10, (Eweida and Others v United Kingdom), par. 82, AR updates, m.nt. W.L. Roozendaal; EHRM 27 juni 2000, nr. 27417/95 (Cha’are Shalom Ve Tsedek v France), par. 78; EHRM (GK) 7 juli 2011, nr. 23459/ 03 (Bayatyan v Armenië); EHRM 10 november 2005, nr. 44774/98 (Leyla Sahin v Turkey), par. 78 en 105; EHRM 1 juli 2014, nr. 43835/11 (S.A.S. v Frankrijk), par. 127.
Zie o.a. EHRM 2 februari 2010, nr. 21924/05, EHRC 2011/38 (Sinan Isik v Turkije), m.nt. P. de Hert.
In de voorgaande subparagraaf stond wat ik in paragraaf 2.2.3 het theoretische niveau van het grondrechtsobject heb genoemd centraal. In deze paragraaf bespreek ik het praktische niveau van het grondrechtsobject van de godsdienstvrijheid. Het gaat dan dus om de vraag wanneer volgens het geldend recht een uiting of gedraging een uitwerking is van een godsdienstige leer of traditie.
Een belangrijk arrest in dit kader is het AOW arrest.1 Dit arrest ging over een dominee die op grond van zijn godsdienstige overtuigingen weigerde AOW-premie te betalen omdat hij vond dat de kerk in zijn levensonderhoud diende te voorzien, ook als hij met emeritaat was. De Hoge Raad oordeelde dat de AOW-regeling een wettelijke regeling betreft die geen betrekking heeft op het tot uiting brengen van godsdienst of levensovertuiging. Het staat een ieder niet in het algemeen vrij aan een wettelijk voorschrift ‘verbindende kracht te zijnen aanzien te ontzeggen op grond van een daartegen bij hem bestaand bezwaar ontleend aan zijn godsdienst of levensovertuiging.’ Het bezwaar van de dominee viel dus niet binnen de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst. In dit arrest overwoog de Hoge Raad voor het eerst dat er slechts sprake is van een godsdienstige uiting of gedraging wanneer het gaat om een handeling die ‘naar zijn aard uitdrukking geeft aan een godsdienstige overtuiging’. Met andere woorden, de Hoge Raad gaat uit van een interpretatie van belijden waaronder alleen het belijden in engere zin, zoals bidden of het houden van erediensten, kan worden geschaard. Alledaagse gedragingen vallen hier in beginsel buiten.
De algemene lijn in de Nederlandse jurisprudentie ten aanzien van artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet is dat het moet gaan om een gedraging die ‘op zichzelf’ is aan te merken als een praktische toepassing van de godsdienst of overtuiging van de betrokkene en als gedraging waardoor de betrokkene ‘naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking geeft aan zijn godsdienst of levensovertuiging’.2 Het recht om praktische toepassing te geven aan een godsdienst of levensovertuiging ziet slechts op handelingen die naar hun aard in enigerlei vorm uitdrukking geven aan die godsdienst of levensovertuiging.3 Uitingen en gedragingen met betrekking tot het betalen van AOW-premie, deelname aan een pensioenfonds,4 sollicitatieplicht,5 het opnemen van een pleegkind,6 en het dragen van een punk uiterlijk,7 zijn in beginsel geen uitdrukking van het belijden van een godsdienst.8 Ook de wetgever, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties, huldigt in het kader van artikel 6 Grondwet het standpunt dat onder belijden slechts die uitingen of gedragingen worden gerekend die in redelijkheid rechtstreeks uitdrukking geven aan een religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging. Hij noemt als voorbeeld het bijwonen van een betoging vanwege religieuze opvattingen. Dit wordt niet gerekend tot een directe uitdrukking van godsdienst (maar valt wel onder de betogingsvrijheid van artikel 9 Grondwet).9
De nationale lijn is in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM. De ECRM stelt in het standaardarrest Aerosmith dat de term belijden (practice) ‘as employed in Article 9.1 does not cover each act which is motivated or influenced by a religion or belief’ en ‘when the actions of individuals do not actually express the belief concerned they cannot be considered to be as such protected by article 9.1, even when they are motivated by it’.10 Het EHRM heeft bij herhaling bevestigd dat niet iedere gedraging die wordt ingegeven door persoonlijke godsdienst of overtuiging zonder meer onder de bescherming valt van artikel 9 EVRM: ‘In order to qualify as a “manifestation” within the meaning of this provision the act in question must be intimately linked to a religion or belief.’11 In de jurisprudentie van het EHRM en ECRM wordt onderscheid gemaakt tussen gedragingen die een directe expressie zijn van een godsdienst of levensovertuiging en gedragingen die enkel beïnvloed of gemotiveerd zijn door een godsdienst of levensovertuiging. De eerste categorie geniet wel de bescherming van artikel 9 EVRM, de tweede categorie niet: ‘In so far as acts do not directly express the religion or belief concerned12 or are only remotely connected to a precept of faith, they fall outside the protection of Article 9.’ Ten aanzien van de eerste categorie kunnen we bijvoorbeeld denken aan ‘evangeliseren’ (proselitisme),13 het dragen van religieuze kledij 14 en het deelnemen aan religieuze ceremonies.15 Het uitdelen van pamfletten waarin de pacifistische leer wordt verkondigd en waarin wordt opgeroepen af te zien van geweld wordt door het EHRM echter niet gezien als een directe expressie van het pacifisme.16 Ook het verspreiden van anti-abortuspamfletten (met confronterende foto’s) voor het gebouw van een abortuskliniek,17 de wens van ouders om hun kind een bepaalde voornaam te geven,18 de wens om te kunnen scheiden,19 de wens om religie te vermelden in de identiteitskaart20 en opvattingen over hulp bij zelfdoding21 werden door het EHRM niet gekwalificeerd als een directe expressie van een godsdienst of een levensbeschouwing.22
Verder hanteert het EHRM evenals de Hoge Raad in het AOW-arrest, een terughoudende koers met betrekking tot het toepassen van artikel 9 EVRM op uitingen en gedragingen die voortvloeien uit algemeen ‘neutraal’ geachte regels die niet nauw zijn verbonden met, of de rechtstreekse uitdrukking zijn van godsdienst of levensovertuiging.23 Een quaker (aanhanger van een christelijke denominatie) kon bijvoorbeeld niet op grond van zijn geloofsovertuiging van de staat eisen dat zijn belastinggeld niet zou worden gebruikt voor militaire doeleinden.24
Als voorbeeld van zaken die een directe expressie zijn van godsdienst of levensovertuiging noemt het EHRM ‘(…) acts of worship or devotion forming part of the practice of a religion or a belief in a generally accepted form’.25 Traditionele uitingen of gedragingen worden op grond van deze overweging, omdat ze immers algemeen aanvaard zijn, gemakkelijker als godsdienstig gekwalificeerd dan overige uitingen en gedragingen. In recentere jurisprudentie wordt echter ook erkend dat minder traditionele uitingen of gedragingen godsdienstig kunnen zijn. Het EHRM stelt dan dat het belijden of manifesteren van religie en levensovertuiging in beginsel niet tot traditionele of algemene bekende uitingen of gedragingen is gelimiteerd. Het benadrukt dat het bestaan van een voldoende relatie tussen een religie of overtuiging met een bepaalde uiting of gedraging moet worden bepaald aan de hand van de feiten van elke zaak in het bijzonder.
Overigens beklemtoont het EHRM ook dat het niet noodzakelijk is dat de klager bewijst dat een zekere religieuze uiting verplicht is volgens het door hem aangehangen geloof.26 Het EHRM licht dit uitgangspunt in zijn jurisprudentie niet toe. Mogelijk vloeit het voort uit de hoge waardering die het EHRM heeft voor de bescherming van het forum internum. De redenering zou dan kunnen zijn dat de bescherming van het forum internum ook impliceert dat een persoon niet verplicht mag worden verantwoording af te leggen over zijn innerlijke overtuigingen en de hieruit voortvloeiende uitingen en gedragingen.27