Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.3
2.3 Rechtspraak: discriminatoire karakter van berekening arbeidsverleden
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258902:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 1986/87, 19261, nr. 25a, p. 13. Het ging hier om de leden van de Politieke Partij Radikalen (PPR). De PPR was van 11 mei 1971 tot 14 september 1989 in de Tweede Kamer vertegenwoordigd en behoorde in de periode 1973-1977 tot het kabinet. De in 1968-1971 bestaande Groep-Aarden was voorloper van de PPR-fractie. In 1989 deed de PPR, samen met de EVP, CPN en PSP, onder de gemeenschappelijke naam 'GroenLinks' aan de verkiezingen mee. In 1991 werd deze fusie definitief gemaakt. Deze gegevens zijn afkomstig van Parlement.com.
Kamerstukken I 1986/87, 19261, nr. 25, p. 47. Wet houdende wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met de vervanging van fictief arbeidsverleden door feitelijk arbeidsverleden en de beperking van het verzorgingsforfait, Stb. 2004, 594; Kamerstukken 2004/05, 29249. De beperking ten opzichte van de oude regeling houdt verband met de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen met jonge kinderen. Dit is bevestigd in CRvB 24 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2016, USZ 2015/255, RSV 2015/233. Vóór 1 januari 2005 was het verzorgingsforfait veel royaler. De eis van het ontvangen van kinderbijslag gold niet, de zorgperiode voor kinderen tot zes jaar telde helemaal mee en die voor kinderen van zes tot twaalf jaren voor de helft. Zie: Heerma van Voss, in: T&C Socialezekerheidsrecht 2016, art. 42 WW.
CRvB 12 maart 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:ZB2133, RSV 1992/101.
CRvB 23 februari 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8107, RSV 1999/119.
CRvB 21 augustus 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE8114, RSV 2002/259.
CRVB 12 maart 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:ZB2133, RSV 1992/101.
CRvB 23 februari 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8107, RSV 1999/119.
CRvB 21 augustus 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE8114, RSV 2002/259.
CRvB 9 april 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:AK9329, RSV 1991/247.
Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PbEU 1979, L 6, blz. 24).
Al bij de invoering van het fictieve arbeidsverleden is geopperd dat een arbeidsverledeneis discriminatoir naar leeftijd en geslacht zou kunnen zijn. Sommige parlementsleden betoogden bijvoorbeeld dat de arbeidsverledeneis niet objectief is, omdat mensen geen keuzevrijheid hebben ten aanzien van de mate waarin zij betaalde arbeid verrichten en zodoende een arbeidsverleden opbouwen.1 Daarnaast zou in de praktijk de koppeling van de duur van de uitkering aan het arbeidsverleden voor jongeren, vrouwen en werklozen met een onregelmatig arbeidsverleden negatief uitpakken. De vraag werd gesteld of het verantwoord was dat deze vorm van berekening van de duur juist de zwakste groepen op de arbeidsmarkt nadelig zou treffen.2
Het kabinet heeft in antwoord op die vraag erkend dat een arbeidsverledeneis ongunstig kan uitpakken voor personen die buiten hun schuld niet als werknemer aan het arbeidsproces hebben kunnen deelnemen. De nadelen verbonden aan de arbeidsverledeneis voor de voormeld genoemde zwakkere groepen op de arbeidsmarkt zouden worden ondervangen door bepaalde niet-gewerkte perioden met gewerkte perioden gelijk te stellen. Hierbij kan gedacht worden aan het verzorgingsforfait, de periode van verzorging van een kind jonger dan vijf jaar, dat in de praktijk vooral voor vrouwen gunstig is. Het verzorgingsforfait is echter geen duurzame maatregel ter bescherming tegen de voor vrouwen ongunstige arbeidsverledeneis geweest in die zin dat in 2005 het verzorgingsforfait is gehalveerd in verband met de toenemende participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt.3
Later kwam de kwestie van het fictieve arbeidsverleden vanaf de 18-jarige leeftijd aan de orde bij de rechter. In de uitspraken van de Centrale Raad van de Beroep (CRvB), waaronder die van 29 oktober 19914, 23 februari 19995 en 21 augustus 20026, werden vraagtekens gezet bij het systeem van een fictief arbeidsverleden vanaf de 18-jarige leeftijd. In die gevallen poogde de werkloze het (aantoonbare) arbeidsverleden van vóór zijn 18-jarige leeftijd mee te laten te tellen om een langere uitkeringsduur te bewerkstelligen.
In de zaak van 29 oktober 19917 werd door de uitkeringsgerechtigde betoogd dat de wetgever om louter praktische redenen heeft gekozen voor deze voorlopige oplossing van een fictief arbeidsverleden, dat op termijn toch zou worden vervangen door een regeling gebaseerd op het werkelijke arbeidsverleden. Om die reden zou als hoofdregel het werkelijke arbeidsverleden van vóór de 18-jarige leeftijd, indien aantoonbaar, meegerekend moeten worden, aldus bepleit door de uitkeringsgerechtigde. De CRvB moest hier dus een beslissing nemen over de rechtspositie van de werknemer met een aantoonbaar arbeidsverleden van vóór de 18-jarige leeftijd. De CRvB overwoog dat de wetgever welbewust zou hebben gekozen voor een systeem dat, afgezien van het tijdvak van vijf jaar direct aan de werkloosheid voorafgaand, uitsluitend gebaseerd is op een fictief arbeidsverleden vanaf de 18-jarige leeftijd. Dit systeem is volstrekt duidelijk en kan niet anders worden geïnterpreteerd. De CRvB oordeelde daarom dat er geen leemte in de wet is die ruimte zou bieden om het arbeidsverleden van vóór het 18e jaar mee te rekenen.
In een zaak van 23 februari 1999 (RSV 1999/119)8 en van 21 augustus 2002 (RSV 2002/259)9 werd gepoogd met een beroep op het verbod van discriminatie de berekening van het fictieve arbeidsverleden uit te breiden. De CRvB maakte hier korte metten mee door te beslissen dat de wetgever een tijdstip moest bepalen waarop het arbeidsverleden fictief aanvangt, omdat een sluitende registratie van het feitelijk arbeidsverleden ontbrak. Het ontbreken van een dergelijke registratie zorgde voor bewijsproblemen voor werknemers, controleproblemen voor het uitvoeringsorgaan en moeilijkheden bij het voorkomen van fraude. De wetgever heeft daarom het tijdstip waarop het fictieve arbeidsverleden aanvangt, bepaald op het begin van het jaar waarin de werknemer 18 jaar wordt. Daarbij is aangesloten bij de praktijk waarin werknemers veelal vanaf de leeftijd van 18 jaar volledig aan het arbeidsproces deelnemen. Voor zover het hanteren van de leeftijd van 18 jaar voor de aanvang van het arbeidsverleden zou leiden tot een ongelijke behandeling, kan de CRvB nog niet tot het oordeel komen dat de door de wetgever gemaakte keuzes niet zijn gebaseerd op redelijke en objectieve gronden. Er is dus geen sprake van een verboden discriminatie op grond van leeftijd.
Ook de 3-uit-5 jareneis is aangevochten op de grond dat deze discriminatoir ten opzichte van vrouwen zou zijn, zo blijkt uit een uitspraak van de CRvB van 9 april 1991 (RSV 1991/247).10 De 3-uit-5 jareneis zou leiden tot indirecte discriminatie van oudere vrouwen ten opzichte van oudere mannen, omdat er aanzienlijk meer oudere vrouwen dan oudere mannen niet voldoen aan de arbeidsverledeneis van art. 42 lid 2 WW 1987. Bepleit is dan ook dat de arbeidsverledeneis strijdig zou zijn met art. 4 van de derde EEG-richtlijn (79/7)11 en met art. 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBP-verdrag), beide betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van sociale zekerheid. De CRvB ging niet mee met dit pleidooi en overwoog dat uit de wetsgeschiedenis12 blijkt dat onderzocht is in hoeverre vrouwen worden benadeeld ten opzichte van mannen. Uit dat onderzoek volgt dat in de leeftijdscategorie (40-49 jaar) 68 procent van de vrouwen en 88 procent van de mannen die in 1984 een uitkering volgens de WW 1949 verzochten, voldeden aan de 26-wekeneis of de arbeidsverledeneis. Bij de 50-59-jarigen gold dat voor 77 procent van de vrouwen en 88 procent van de mannen en bij de 60-plussers voor 87 procent respectievelijk 90 procent (zie ook onderstaande tabel 1 van een analysegroep van de nWW-gerechtigden vanaf 1987).13
Tabel 1. Dekkingspercentage arbeidsverledeneis 3 uit 5 naar leeftijdsklassen voor mannen en vrouwen (analysegroep: nWW-gerechtigden)
Leeftijd
Mannen
Vrouwen
Totaal
Tot 23
27%
(N = 369)
23%
(N = 218)
25%
(N = 588)
23 – 29
76%
(N = 497)
74%
(N = 206)
76%
(N = 703)
30 – 34
85%
(N = 291)
72%
(N = 68)
83%
(N = 359)
40 – 49
88%
(N = 259)
68%
(N = 57)
84%
(N = 317)
50 – 59
88%
(N = 324)
77%
(N = 96)
85%
(N = 420)
60 jaar en ouder
90%
(N = 289)
87%
(N = 53)
91%
(N = 341)
Totaal
74%
(N = 2027)
59%
(N = 699)
70%
(N = 2728)
Bron: Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 15, p. 63.
De CRvB erkende dat de vergelijking van percentages duidelijke verschillen weergeeft ten nadele van oudere vrouwen. Die verschillen zouden echter niet zo aanmerkelijk zijn dat de arbeidsverledeneis een vermoeden van (indirecte) discriminatie van oudere vrouwen oplevert.
In het hiernavolgende zullen een aantal (kleinere) wijzigingen worden besproken die een effect hebben gehad op de duur van de WW-uitkering sinds de invoering, dan wel de berekeningswijze van het arbeidsverleden.