Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.II.C.5
5. Vanaf 21 juni 2013 – heden: (objectieve) verbetering?
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS479855:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
D.W. Bruil, ‘Kavelruil geregeld?’, p. 635.
De tekst van dit onderdeel is grotendeels ontleend aan: J.W.A. Rheinfeld, ‘Kavelruil anno 2013: een fiscale ‘nabrander”, in: Agrarisch recht 2013/9.
Beleidsbesluit Ministerie van Financiën 21 juni 2013, nr. BLKB/2013/642M, Notamail 2013/174, FutD 2013/28. Zie tevens B.F. Preller, ‘Besluit inzake vrijstellingen van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, lid 1, onderdelen g, i, 1 en p WBR’, alsmede F.A.M. Schoenmaker, ‘Besluit vrijstellingen overdrachtsbelasting aangepast’. Zie tevens onderdeel B.3.b hiervoor.
Onderdeel 2.4 van het besluit. Zie over dit onderdeel uitgebreid F.A.M. Schoenmaker, ‘Besluit vrijstellingen overdrachtsbelasting aangepast’, p. 10. Zie tevens hfdst. III, onderdeel E.l hierna.
Onderdeel 3 van het besluit.
O.m. ABRS 15 januari 2001, nr. 200003100/1, niet gepubliceerd (‘Kavelruil Wilnis’) en Rb Arnhem 12 april 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ0904. Zie in dit kader uitgebreid grenspost 1, hfdst. I, onderdeel G.6.j., alsmede onderdeel 2 hiervoor.
Stb. 2009, 397.
Kamerstukken II 2005-2006, 30509, nr. 21.
Zie tevens onderdeel b hiervoor, waar deze ‘objectieve verbeteringsfktie’ nader onder de loep wordt genomen.
Tot dezelfde conclusie komt B.F. Preller, ‘Kavelruil onder de Wet inrichting landelijk gebied nader beschouwd’. Zie tevens B.F. Preller, ‘Besluit inzake vrijstellingen van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, lid 1, onderdelen g, i, 1 en p WBR’.
Aldus B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’. Zie tevens B.F. Preller, ‘Kavelruil en de vrijstelling van overdrachtsbelasting’, in: FBN 2005/10.
Zie in gelijke zin de Notamail-redactie in Notamail 2013/174: ‘Redactie: voor de goede orde merken wij op dat bij kavelruil sprake is van een verbetering van de inrichting van het landelijk gebied als wordt voldaan aan de eisen van artikel 85 WILG en artikel 31 a BILG. Daarnaast vindt er geen afzonderlijke toets plaats.’
Hoewel de fiscale toetsing sinds de invoering van de WILG verworden is tot een marginale, lijkt de fiscale wetgever zich niet zonder slag of stoot te willen neerleggen bij deze nieuwe bijrol. Bruil had in dit kader een vooruitziende blik. in 2006, vlak voor de invoering van de WILG, deed hij de volgende voorspelling:
“Het valt (…) gemakkelijk te voorzien dat er pogingen zullen komen om de fiscale faciliteiten toch weer te beperken, ‘1
Deze woorden lijken ruim zeven jaar later, op 21 juni 2013 bewaarheid te worden.2 Het Ministerie van Financiën heeft deze langste dag van het jaar aangrepen om een beleidsbesluit met een voor de kavelruil ogenschijnlijk verontrustende inhoud vast te stellen.3 In onderdeel 4.1 van het besluit wordt, na een inleidende beschouwing, alsmede enkele goedkeuringen op het terrein van artikel 15, lid 1, onderdeel g WBR4 en artikel 15, lid 1, onderdeel i WBR5 de volgende zinsnede aangetroffen:
“De vrijstelling (art. 15, lid 1, onderdeel I, WBR, JR) is ook van toepassing bij de verkrijging van onroerende zaken krachtens een ruilverkaveling bij overeenkomst als bedoeld in Hoofdstuk 9 van de WILG, mits deze verkrijging strekt tot verbetering van de inrichting van het landelijk gebied (zie artikel 16 van de WILG).”
Het gedeelte achter de komma, dat de verwijzing naar de ‘objectieve verbeteringseis’ uit artikel 16 WILG bevat, zorgde voor onrust. Was men bij de fiscale beoordeling van kavelruilen vanaf 21 juni 2013 weer terug bij af, in die zin dat voor de kavelruil plotseling, naast de civielrechtelijke eisen van artikel 85-88 WILG en artikel 31a BILG, de ‘verbetertoets’ weer zou gaan gelden? Gold het credo ‘civiel in orde is fiscaal in orde’ niet langer voor verkrijging van de fiscale zegen?
De gedachte aan de (oude) jurisprudentie, waarin kavelruilen in fiscalibus werden afgekeurd omdat een of meerdere transacties binnen de kavelruil niet zouden leiden tot een objectieve verbetering van de inrichting van het landelijk gebied, 6 doemde weer op.
Hoewel ik natuurlijk niet in de geest van de staatssecretaris kan kijken, kan de praktijk – althans naar mijn mening – echter gerust zijn. De minister van LNV heeft namelijk in 2009, in de toelichting op artikel 31 a BILG, de volgende, reeds in grenspost 1, hoofdstuk II, onderdeel A.4.C geciteerde woorden gesproken, die weinig tot de (fiscale) verbeelding overlaten:
“In artikel 16 en hoofdstuk 9 van de WILG zijn de algemene vereisten opgenomen voor een kavelruilovereenkomst. Op grond van artikel 16 van de WILG strekt kavelruil als vorm van landinrichting tot verbetering van de inrichting van het landelijke gebied overeenkomstig de functies van het gebied, zoals deze in het kader van de ruimtelijke ordening zijn gegeven. Hieraan is voldaan als een kavelruilovereenkomst voldoet aan de vereisten van artikel 85 van de WILG en het nieuwe hoofdstuk 4 van het Besluit inrichting landelijk gebied (zie paragraaf 3 van deze nota van Toelichting). Dan is er voor kavelruil sprake van een verbetering van de inrichting van het landelijk gebied. Daarnaast vindt er geen afzonderlijke inhoudelijke toets plaats.”7 ‘
Woorden van gelijke strekking zijn, zoals hiervoor in onderdeel b besproken, opgenomen in de (inmiddels overbekende) brief van 8 september 2006.8 De strekking van beide beleidsstukken is helder: voor kavelruil geldt dat, zodra voldaan is aan de civielrechtelijke eisen, de horde van artikel 16 WILG daarmee tevens genomen is, aangezien de objectieve verbetering van het landelijk gebied alsdan geacht wordt te zijn verbeterd.9 Of, in enigszins wiskundige setting: civielrechtelijk in orde = artikel 16 WILG = fiscaal in orde. De verwijzing in het besluit naar artikel 16 WILG is in mijn opinie zinloos, aangezien het geen zelfstandige inhoudelijke betekenis heeft en voor de fiscale beoordeling van kavelruilen niets toevoegt. Het leidt enkel tot (mogelijke) verwarring in de praktijk. Aanpassing van het besluit is derhalve gewenst.10 Door schrapping van het gedeelte ‘achter de komma’, is het fiscale besluit weer in overeenstemming met de civielrechtelijke realiteit: artikel 85-88 WILG en artikel 31a BILG vormen het toetsingskader voor de kavelruil, zowel in civilibus als in fiscalibus. De kwalificatie ‘kavelruilovereenkomst’ is dus de enig overgebleven fiscale toetssteen.11 Voor een afzonderlijke ‘verbetertoets’ door de fiscus is derhalve geen plaats.12 Het besluit van 21 juni 2013 brengt hierin geen verandering.
Tot slot is ter gelegenheid van de publicatie van dit besluit, het besluit van 12 november 2004 ingetrokken. De inhoud van laatstgenoemd besluit was, zoals hiervoor in onderdeel 4 aangetoond, al grotendeels ‘buitenspel gezet’ door de literatuur en de rechtspraak. Ook de inhoud van de WILG en de toezeggingen in de parlementaire geschiedenis hebben het fundament onder het besluit in grote mate tenietgedaan.
Niettemin is intrekking van het besluit niet meer dan logisch. Betreurenswaardig is wel dat het ‘vervangende’ besluit inhoudelijk gezien ook niet geheel vlekkeloos is.