Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.3.3.5.2.1
3.3.3.5.2.1 Het recht van de begunstigde bij een ‘fixed’ trust
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717344:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook: HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635, m.nt. C.J.H. Brunner (Ermes c.s./Haviltex); H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandeling (Preadvies uitgebracht voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht), Zutphen: Uitgeverij Parijs 2016, p. 16-19; C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling (Onderneming en recht nr. 89), Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 10.4.
Er zou ook sprake kunnen zijn van een gift ex art. 7:186 lid 2 BWC indien de aanwijzing van een begunstigde bij een ‘fixed’ trust voorwaardelijk is. Dat betekent dat het recht van de begunstigde waaraan een economisch belang is verbonden, voorwaardelijk is. Men denke bijvoorbeeld aan de situatie waarin de begunstigde pas zijn economisch belang kan opeisen op het moment van overlijden van de insteller of ingeval hij een bepaalde leeftijd heeft bereikt. In dat geval is art. 7:186 lid 2, 2e volzin BWC niet van toepassing, gelet op het feit dat onder het ‘ontvangen van een prestatie’ tevens moet worden verstaan het kunnen verwerven van een aanspraak. In dit specifieke geval verkrijgt de aangewezen begunstigde een recht waaraan een voorwaarde is verbonden. Dat er een onzeker element is, lijkt in casu irrelevant te zijn. Zie hierover uitvoerig: M.F. Murray, De Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek: Tekst en toelichting op het Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Bju 2016, p. 1711. Vgl. ook: Kamerstukken II 1998/99, 17213, nr. 4, p. 8-9; J.C. van Straaten, Parlementaire geschiedenis van de totstandkoming en invoering van titel 7.3 BW: schenking: civiel en fiscaal, Amersfoort: Sdu 2005, p. 77-79; M.J.A. van Mourik e.a. (red.), Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2020, p. 687-689; S. Perrick, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 267.
Is er sprake van een bevoordelingsbedoeling ten tijde van de overdracht ten titel trust, dan behoeft de insteller in beginsel de toestemming van zijn echtgenoot ex 1:88 BWC.
Bij een inbreng van goederen in een ‘fixed’ trust gedurende het bestaan hiervan, dient de inbreng mijns inziens te worden beoordeeld aan de hand van dezelfde criteria. Een inbreng heeft tot gevolg dat de waarde van het economische belang van de begunstigde toeneemt.
Anders: E.R. Roelofs, De private express trust en de legitieme portie. Civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten (Ars Notariatus, nr. 146), Deventer: Kluwer 2011, p. 87-88.
Het gebruik van een trust als zekerheidsinstrument kan in casu worden vergeleken met de inmiddels afgeschafte fiduciaire eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid. Hierbij ontbreekt de bevoordelingsbedoeling. In dat geval strekt het verkrijgen van het recht van de begunstigde tot zekerheid van de verstrekte lening.
Bij trusts waarbij de insteller wordt aangewezen als begunstigde – onder andere ook ‘bare’ trusts – is er géén sprake van een verrijking van de begunstigde als begiftigde.
Zie ook hoofdstuk 4.
In de situatie dat de insteller een ‘fixed’ trust in het leven heeft geroepen, verkrijgt de begunstigde van rechtswege een recht van de begunstigde – een bundel van rechten, bevoegdheden en remedies – waaraan een economisch belang is verbonden op het tijdstip van het ontstaan van de trust. Zoals reeds in hoofdstuk 2 is opgemerkt en ook het geval is in het Curaçaose trustrecht, wordt bij een ‘fixed’ trust de begunstigde aangewezen en wordt zijn aandeel in het trustfonds bepaald op het moment van de totstandkoming van de trust. Of de verkrijging van het recht van de begunstigde bij een ‘fixed’ trust kan worden aangemerkt als een gift ex art. 7:186 lid 2 BWC, is naar ik meen afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij in aanmerking moet worden genomen hetgeen de insteller met de totstandkoming van de trust in de gegeven omstandigheden ten tijde van het toevertrouwen van de goederen heeft gewild.1/2/3 Dat wil zeggen dat het doel waarvoor de trust in het leven is geroepen en de bevoordelingsbedoeling van de insteller, in casu essentieel is.4/5 Mijns inziens kan het aanmerken van de verkrijging van het recht van de begunstigde waaraan een economisch belang is verbonden als een gift, bij de ‘fixed’ trust derhalve niet worden aangenomen als een vanzelfsprekendheid. Men denke onder andere aan de situatie waarin trusts worden gebruikt als zekerheidsinstrument of om een onderneming te drijven, de insteller als begunstigde is aangewezen6 of een persoon is aangewezen ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis ex art. 6:3 BWC. In de voornoemde gevallen ontbreekt de bevoordelingsbedoeling, dan wel is er géén sprake van een verarming van de schenker en een verrijking van de begunstigde.7/8
Hiernaast zal bij een testamentaire trust – waarvan de trust als ‘fixed’ wordt vormgegeven – evenmin sprake zijn van een gift in de zin van art. 7:186 lid 2 BWC. In een dergelijke situatie dient de verkrijging van het recht van de begunstigde naar mijn mening – gezien het economisch belang dat aan het recht is verbonden – als een verkrijging krachtens erfrecht, in het bijzonder als een verkrijging krachtens legaat te worden aangemerkt.9