Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.4.3.2
5.4.3.2 Inconsistentie
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715382:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Kempen & Fedorova 2015, p. 37 en 38. Dat hetzelfde begrip in twee verschillende bepalingen een verschillende betekenis kan hebben, hoeft overigens niet per definitie inconsistent te zijn indien bijvoorbeeld ook rekening wordt gehouden met het (wellicht verschillende) doel van beide bepalingen.
Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 18.
Buiting 1965, p. 161 en 163. Remmelink betoogt dan ook met een beroep op het principe de minimis non curat lex dat het strafrecht zich eigenlijk niet met poging tot samenspanning en poging tot deelname aan een criminele organisatie bezig zou moeten houden (Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 412).
Zie bijvoorbeeld: HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388, r.o. 2.3.2; HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:389, r.o. 2.3.2. De Hoge Raad stelt daarin dat bij het vaststellen van poging “[een] belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd.”
Ook het consequente gebruik van bepaalde begrippen met dezelfde betekenis in verschillende wetsbepalingen kan bijdragen aan de overzichtelijkheid en duidelijkheid van het recht.1 Zo valt inhoudelijk wel wat af te dingen op de betekenis die de wetgever in artikel 46 lid 5 Sr aan het begrip ‘voorwerpen’ toekent (zie daarover §5.2.2.1), maar de wetgever hanteert dat begrip in ieder geval bij meerdere strafbepalingen – ook buiten de voorfase – wel consequent op dezelfde wijze.2 Op dezelfde manier werd door bij de invoering van de strafbaarstelling van voorbereiding aan te sluiten bij het bestaande begrippenkader, de onduidelijkheid van de bepaling op bestanddeelniveau beperkt.3
Op het niveau van strafbepalingen valt daarentegen op het gebied van de consistentie nog wel iets te winnen. Waarom zou poging iets te trachten bijvoorbeeld niet strafbaar zijn (want materieel gezien poging tot poging), terwijl poging tot samenspanning wel strafbaar zou zijn (want samenspanning is formeel een zelfstandig delict)?4 Bij algemene leerstukken moet bovendien de verhouding tussen gerelateerde leerstukken in de gaten worden gehouden. Bij de voorfase gaat het dan uiteraard in het bijzonder om de verhouding tussen poging en voorbereiding. De wetgever had die verhouding uiteraard bij de invoering van de strafbaarstelling van voorbereiding al in het vizier. Hij verdedigde toen het verenigingsvereiste met het argument dat zonder dit vereiste het onderscheid tussen voorbereiding en poging zo lastig zou maken, dat het de praktische toepassing van beide leerstukken zou frustreren.5 Wat dat betreft is het niet verrassend dat, nu het verenigingsvereiste is geschrapt, de Hoge Raad in recente rechtspraak poging en voorbereiding inderdaad scherper wil gaan onderscheiden door – in lijn met wat hiervoor in §2.2.1 is betoogd – de causale keten meer centraal te stellen.6 Daarnaast blijven echter nog veel inconsistenties over, zoals hiervoor in §5.2.3.2 en §5.3.3.2 reeds is besproken. Vanuit functionalistisch perspectief moet tot slot vooral worden gewezen op de zelfstandige voordelen van een uniforme benadering van voorfasedelicten, los van de vraag welke benadering het beste kan worden gekozen in het verhelpen van die inconsistenties. Of bijvoorbeeld vrijwillige terugtred nu bij alle voorfasedelicten mogelijk moet worden of geheel moet worden geschrapt: het trekken van één lijn brengt in elk geval duidelijkheid.