Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.6.1
II.5.6.1 Inleidend
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625537:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1991/92, 17141, 9, p. 7 (NW2), Parl Gesch. Inv. p. 2077: Titel 3.6 BW is ‘bij nota van wijziging van wetsontwerp 17 496 (zevende gedeelte Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw BW) uit de invoeringsregeling van die boeken gelicht, in het bijzonder omdat die titel in de vorm waarin hij in de loop van de tijd was komen te verkeren ingewikkeld werd bevonden en tot problemen en ook misverstanden bleek te leiden.’
Onder nagelaten of vermaakte goederen valt niet het vruchtgebruik krachtens afdeling 4.3.2, noch het recht van de legitimaris om de legitieme portie geldend te maken. Asser/Perrick 2013 (4), nr. 711. Wordt er overigens bewind ingesteld over een vruchtgebruik, dan wordt het recht van vruchtgebruik onder bewind gesteld en niet de goederen waarop het vruchtgebruik rust. Asser/Perrick 2013 (4), nr. 736; zie ook Kamerstukken II 1991/92, 17141, 9, p. 13 (NW 2), Parl. Gesch. Inv. p. 2079.
Het testamentair bewind is geregeld in afdeling 4.5.7 BW. Deze afdeling is gebaseerd op de regeling van bewind, zoals zij aanvankelijk was voorzien in titel 3.6 BW.1
Bij uiterste wilsbeschikking kan erflater bewind instellen over een of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen (art. 4:153 BW). Ook een erfdeel kan onder bewind worden gesteld.2 Het testamentaire bewind wordt, evenals de andere in dit hoofdstuk genoemde beschikkingen, aangemerkt als uiterste wilsbeschikking (art. 4:42 lid 1 BW jo. 4:153 lid 1 BW). Voor het testamentaire bewind geldt zodoende het bepaaldheidsvereiste. Welke mate van bepaaldheid is voor het testamentaire bewind vereist? En is er ruimte voor andermans subjectief oordeel?
Anders dan de executeursbenoeming, waarin de persoon van de executeur centraal staat, betreft het instellen van testamentair bewind de door erflater nagelaten of vermaakte goederen. Het testamentaire bewind kent als onderwerp dan ook de goederen waarover het bewind is ingesteld (art. 4:153 lid 1 BW). De persoon van de bewindvoerder is hierbij van secundair belang. Toch zal ik in de onderstaande paragraaf ook hierbij stilstaan. Welke mate van bepaaldheid is vereist ten aanzien van de persoon van de bewindvoerder én welke mate van bepaaldheid is vereiste ten aanzien van diens taken en bevoegdheden? Deze vragen komen aan bod in paragraaf 5.6.4.1 resp. 5.6.4.2. Aan de hand van het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor de persoon van de bewindvoerder en het bepaaldheidsvereiste dat geldt ten aanzien van diens taken en bevoegdheden, kan vervolgens worden beoordeeld in hoeverre een ander dan erflater de persoon van de bewindvoerder en de invulling van diens taken en bevoegdheden kan bepalen.
Voorts heb ik aandacht voor het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor de goederen waarover het bewind wordt ingesteld. Ofwel: het bepaaldheidsvereiste dat geldt ten aanzien van het onderwerp van het testamentaire bewind. In paragraaf 5.6.5 komt de vraag aan bod of een ander dan erflater kan bepalen op welke goederen het bewind rust (paragraaf 5.6.5.2). Hierbij ga ik zijdelings ook in op de vraag of een ander het tijdstip kan bepalen waarop het bewind aanvangt (paragraaf 5.6.5.3).
Voor een goed begrip van het testamentaire bewind ga ik allereerst nader in op te onderscheiden bewindsvormen en de materiële aard van het testamentaire bewind (paragraaf 5.6.2 en 5.6.3).