Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.11:6.11 Conclusies
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.11
6.11 Conclusies
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS350383:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 juli 1992, nr. 27 678 met conclusie A-G Moltmaker, BNB 1992/298 met noot van G.J. van Leijenhorst.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van het civiele recht moet de waardebepaling bij toepassing van de bedrijfswaarde los worden gezien van continuïteit of discontinuïteit van de onderneming. Het gaat bij de bedrijfswaarde immers om een kapitalisatie van in de toekomst met het desbetreffende actief te genereren opbrengsten.
Het begrip bedrijfswaarde moet zowel naar fiscaal recht als naar civiel recht vereenzelvigd worden met het begrip duurzame waardedaling. Het arrest Billi-ton / Veendam1, dat gewezen is voor de gemeentelijke onroerende-zaakbelasting, is een goed voorbeeld van een situatie van structurele onderrentabiliteit die in civielrechtelijke zin ook als 'duurzame waardedaling' zou worden aangemerkt.
Een fiscaalrechtelijke waardering van een activum op lagere bedrijfswaarde wordt primair ingegeven door het realiteitsbeginsel (als onderdeel van goed koopmansgebruik). Het desbetreffende verlies moet fiscaal gezien dus ook realiter geleden zijn hetgeen tevens een duurzaamheid van de waardedaling impliceert. Op die wijze ontstaat weer een verbinding met het begrip 'duurzame waardedaling' uit het civiele recht. De door IJsselmuiden bepleitte zogenaamde `twee wegen-leer' wordt dezerzijds dan ook afgewezen.
Bij de fiscale jurisprudentie inzake de bedrijfswaarde van deelnemingen gaat het niet om de nettovermogenswaarde van de deelneming maar om de verwachtingen omtrent de resultaten en de waarde-ontwikkeling van de deelneming op langere termijn.
De opvatting van IJsselmuiden, als zou de enkele omstandigheid dat de rentabiliteit van het bedrijf is aangetast, geen grond vormen voor de afboeking van een materieel vast activum, dient te worden afgewezen. Met de structurele onderrentabiliteit van de onderneming wordt nu juist een aanzet tot een afboeking op lagere bedrijfswaarde gegeven, zij het dat bij een onderrentabiliteit van het bedrijf nog de lastige horde van de toerekening daarvan aan de diverse activa moet plaatsvinden.