Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/7.3.0
Introductie
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS414445:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Het door mij hierna te maken onderscheid wordt ook gemaakt door: Brüll (blz. 76), Drent (WFR 1961/4576, blz. 859), Giele (WFR 1958/4430, blz. 1063), en Smeets (blz. 29).
Hiervan is sprake indien het stelsel niet in overeenstemming is met goed koopmansgebruik of in strijd is met de (beginselen der) wet.
Ook ten aanzien van deze onverplichte stelselwijzigingen geldt overigens het beginsel der balanscontinuïteit (zie het hierna in paragraaf 7.3.2 te bespreken arrest HR 24 oktober 1956, BNB 1956/335).
Onjuiste stelsels kunnen vanaf het begin onjuist zijn of naderhand onjuist worden. Jacobs (blz. 18) geeft het voorbeeld van de groei van een onderneming waardoor het aanvankelijk terecht toegepaste kasstelsel moet worden vervangen door een omzet- of debiteurenstelsel. In deze gevallen is het niet altijd eenvoudig aan te geven op welk moment een waarderingsstelsel onjuist wordt (zie in dit kader voorts: Jacobs (blz. 19) en Drent (NV, blz. 126)).
Inmiddels bestaat er op het gebied van de wijziging van (onjuiste) waarderingsstelsels een omvangrijke jurisprudentie. Ik zie ervan af om in deze paragrafen een volledig overzicht van deze jurisprudentie te geven; ik beperk mij tot het weergeven van de voor dit onderzoek van belang zijnde arresten.
Smeets (blz. 43) vraagt zich af of op het hierna in paragraaf 7.3.1 te bespreken arrest HR 23 februari 1955, BNB 1955/158 (inzake de toepassing van een onjuist waarderingsstelsel), ook een beroep kan worden gedaan als het gaat om fouten, gemaakt binnen een aanvaardbaar systeem, welke onjuistheden de inspecteur aanvankelijk had toegelaten. In latere jurisprudentie heb ik geen aanwijzingen gevonden die mij aanleiding geven deze vraag bevestigend te beantwoorden.
De omstandigheid dat een activum of passivum tegen een te hoog of een te laag bedrag in de eindbalans van het laatstvastgestelde jaar is opgenomen, kan het gevolg zijn van het hanteren van een onjuist waarderingsstelsel. Aan de toepassing van de foutenleer op jaarwinstfouten die het gevolg zijn van het gebruik van een onjuist waarderingsstelsel, wordt in deze paragraaf aandacht besteed. De rechtvaardiging voor deze afzonderlijke behandeling kan worden gevonden in de specifieke jurisprudentie die zich rondom dit onderwerp heeft gevormd.
Artikel 9 Wet IB 1964 schrijft voor dat de in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn welke onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst en welke slechts gewijzigd kan worden indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. De eis van de bestendige gedragslijn noodzaakt de belastingplichtige gebruik te maken van waarderingsstelsels, waarmee de jaarlijkse winstberekening langs objectieve en vaststaande lijnen plaatsvindt. Bij het toepassen van deze waarderingsstelsels kunnen fouten worden gemaakt door1:
de toepassing van een onjuist waarderingsstelsel2;
een onjuiste berekening binnen een juist waarderingsstelsel.
De toepassing van een onjuist waarderingsstelsel zal leiden tot onjuiste balanswaarderingen en daarmee tot onjuiste berekeningen van de jaarlijkse winst. In hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.2, is geconstateerd dat het onjuiste waarderingsstelsel in beginsel moet worden gewijzigd; voor toekomstige winstberekeningen mag dit stelsel niet meer worden toegepast. Bovendien dienen de in het verleden gemaakte fouten als gevolg van de toepassing van het onjuiste stelsel, voorzover mogelijk, te worden hersteld. Van deze imperatieve stelselwijzigingen moeten worden onderscheiden de facultatieve stelselwijzigingen. Het gaat dan om gevallen, waarin een belastingplichtige van het door hem tot dusver voor zijn winstberekening gevolgde stelsel wil overgaan op een ander – eveneens – met goed koopmansgebruik overeenstemmend stelsel. Nu in deze gevallen het oude stelsel niet onjuist was en niet heeft geleid tot onjuiste balanswaarderingen, is geen sprake van een fout en kan de foutenleer geen toepassing vinden3. Door de toegestane bandbreedte van goed koopmansgebruik is de grens tussen facultatieve en imperatieve stelselwijzigingen overigens niet altijd scherp te trekken4.
De wijze waarop onjuiste waarderingen van vermogensbestanddelen als gevolg van de toepassing van een onjuist waarderingsstelsel worden hersteld, komt aan de orde in de volgende paragrafen5. Op onjuiste waarderingen van vermogensbestanddelen als gevolg van onjuiste berekeningen binnen een juist waarderingsstelsel zijn de hiervóór in paragraaf 7.2 beschreven (algemene) regels voor het herstel van jaar-winstfouten van toepassing; deze fouten blijven derhalve thans onbesproken6.